Verslag | Netwerkmoment 2025
Op vrijdag 12 december 2025 brachten we tijdens ons jaarlijks netwerkmoment verschillende stemmen samen rond één gedeelde vraag: hoe kunnen dorpen zich ontwikkelen zonder hun landschappelijke, sociale en ruimtelijke kwaliteiten te verliezen? Met de Zwalmstreek als casus werd ingezoomd op dorpse woonlandschappen, burgerinitiatief, beleidsinstrumenten en de rol van tijd in ontwerp en transformatie.
Tekst: Gilian Luyckx
Leestijd: 7 min
Foto's: Kelly Donckers
Na een inleidend gesprek met onze voorzitter Dirk Vanhaute, begeleidde moderator Tine Hens het gesprek tussen Geert Pauwels (Dial Architects), Oda Walpot (Team Vlaams Bouwmeester) en Bruno Heuleu (AiT architecten), elk vanuit een eigen invalshoek maar met een gedeelde betrokkenheid bij het landschap en de dorpen.

Van verzet naar visie
Geert Pauwels van Dial Architects nam het publiek mee in het ontstaan van Vrienden van de Zwalmse Dorpen, een burgercollectief dat ontstond uit concrete verontwaardiging over sluipende verkavelingen en de afbraak van waardevolle dorpsstructuren. Als architect en inwoner werd Pauwels geconfronteerd met historische hoeves die plaats moesten maken voor verkavelingen en open ruimte die stukje bij beetje verdween door de verdere verkaveling van deze gronden.
Wat begon als verzet tegen een specifieke verkaveling, groeide uit tot een structurele beweging. Door dossiers inhoudelijk te analyseren, regelgeving grondig te bestuderen, alternatieven uit te tekenen en juridische argumenten te verzamelen, slaagde het collectief erin om vergunningen te laten vernietigen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Daarmee verschoof ook het debat van een louter juridische discussie over “wat mag” naar een fundamentele vraag over “wat wenselijk is” in een dorpse context.

Tegelijkertijd maakte Pauwels duidelijk in zijn voorbeelden waarom dit verzet zo noodzakelijk is: bomen verdwijnen wanneer percelen “bouwrijp” worden gemaakt, hoeves met hun vistas en landschappelijke structuur worden gesloopt, en ontwikkelingen houden vaak geen rekening met het bestaande groen of het reliëf.
Daarnaast werd actief ingezet op participatie en betrokkenheid van de lokale gemeenschap door diverse acties, debatten, workshops en evenementen te organiseren. Met deze initiatieven willen ze inwoners zowel informeren over ruimtelijke plannen als inspireren om mee te denken over de toekomst van hun dorp, en mensen samenbrengen rond gemeenschappelijke waarden. Voorbeelden zijn retrofietswedstrijden door het dorp, erfgoedwandelingen langs historische gebouwen en orgel-excursies waarin kerken en muziekervaringen worden gecombineerd. Op deze manier worden bewoners niet alleen bewust gemaakt van de waarde van hun omgeving, maar ook actief betrokken bij het behoud en de ontwikkeling van het dorpslandschap.

Volgens Pauwels ligt de kern van het probleem niet alleen bij individuele projecten, maar bij een structureel gebrek aan regie. Gemeenten beschikken te weinig over instrumenten, of gebruiken ze onvoldoende, om ruimtelijke kwaliteit actief te sturen. In plaats daarvan wordt vaak teruggegrepen naar een minimale lezing van regelgeving, waarbij conformiteit belangrijker wordt dan kwaliteit.
Die houding heeft volgens Pauwels directe gevolgen voor de stedelijke en dorpse ontwikkeling: projecten worden beoordeeld op hun juridische robuustheid, niet op hun ruimtelijke of landschappelijke meerwaarde. Hierdoor verschuift de besluitvorming steeds verder weg van het dorp zelf en voelen bewoners zich machteloos tegenover abstracte procedures en schaalvergroting.
Publieke gronden spelen in dat verhaal een cruciale rol. Ze vormen volgens Pauwels de belangrijkste hefboom voor een toekomstgericht grond- en ruimtelijk beleid, onder meer voor waterberging, landschapsherstel, collectieve voorzieningen en doordachte verdichting. Toch worden deze gronden vaak verkocht om budgettaire redenen, waardoor gemeenten hun eigen sturingscapaciteit ondergraven.
“Publieke gronden zijn de pasmunt van de toekomst. Als we die verkopen, geven we onze beleidsruimte uit handen.” - Geert Pauwels
Tegelijk benadrukte Pauwels het belang van verbeelding en traagheid. Dorpen vragen een ander tijdsregime dan steden. Verandering gebeurt niet via snelle ingrepen of grootschalige projecten, maar via langdurige processen die gedragen worden door bewoners en afgestemd zijn op het landschap. Architectuur ziet hij daarbij niet als een eindpunt, maar als een middel om gesprek en bewustwording op gang te brengen en om alternatieven zichtbaar te maken.
Het masterplan Zwalm
Oda Walpot plaatste het masterplan voor Zwalm in een breder beleidsmatig kader. Als adviseur Open Ruimte bij het Team Vlaams Bouwmeester begeleidde zij de gemeente bij het opstellen van een toekomstgericht ruimtelijk kader, ontwikkeld door de ontwerpbureaus LAMA landscape architects en Blauwdruk stedenbouw, met ondersteuning van Studio Uad en murmuur architecten.
Het vertrekpunt van het masterplan is een fundamenteel inzicht: de kwaliteit van de dorpen is onlosmakelijk verbonden met de kwaliteit van de open ruimte. Vanuit een grondig historisch en morfologisch onderzoek van landschap en nederzettingen werden de specifieke kenmerken van de Zwalmse dorpen blootgelegd. Niet om ze te bevriezen, maar om ze als basis te nemen voor toekomstige ontwikkeling.
Uit die analyse kwamen enkele cruciale opgaven naar voren: een uitgesproken wateropgave (overstroming, afstroming, erosie), de nood om het landschap opnieuw zichtbaar en toegankelijk te maken, en het veiligstellen van dorpsgezichten en beeldbepalende panden. In samenspraak met de gemeente werden deze uitdagingen vertaald naar vijf ambities, uitgewerkt in een richtlijnenkader. Daarin staan water en landschap als structurerende dragers, en kernversterking als leidraad voor elk project of bouwinitiatief.
Als onderlaag maakt de statutenkaart water- en beschermingsstatuten zichtbaar (overstromingsgevaar, afstromings- en erosiegevoelige zones) en verbindt die met heldere basisrichtlijnen: in overstromingsgebied wordt niet gebouwd, en op hellende of afstroombare percelen wordt de positie van het bouwvolume zo gekozen dat er ruimte blijft voor water en reliëf.

Daarnaast besteedt het masterplan aandacht aan het groene weefsel: kleine landschapselementen, trage wegen en zachte perceelsranden worden bekeken als middelen om de beleving en toegankelijkheid van het landschap te versterken, onder meer via landschappelijke beplanting en het herstellen van ontbrekende routes.
In tegenstelling tot eerdere trajecten rond verdichting, vertrekt dit masterplan niet vanuit de vraag hoeveel er kan worden gebouwd, maar waar en hoe dorpen kunnen worden versterkt. Het plan biedt de gemeente zachte richtlijnen, kaarten en een aftoetsingskader waarmee ze eerder in het ontwikkelingsproces kan sturen en kwaliteit kan afdwingen.
Walpot benadrukte dat het masterplan geen keurslijf is, maar een ontwerpend instrument: richtlijnen zijn aanzetten tot verder onderzoek, geen pasklare oplossingen. Het doel is om bouwopgaven altijd te verbinden met het versterken van landschap, waterstructuren en publieke ruimte.
Opvallend is ook de vaststelling dat de woningnood in Zwalm beperkt is. Volgens Walpot toont dit aan dat het mogelijk is om, mits zorgvuldig beleid, geen bijkomende open ruimte aan te snijden en groei op te vangen binnen het bestaande weefsel.

Tijd, traagheid en zorg
Bruno Heuleu van AiT architecten bracht een meer praktijkgerichte en tijdsgebonden lezing, aan de hand van zijn werk in Rozebeke, een deelgemeente van Zwalm. AiT architecten beschouwt zichzelf als plekmaker en tijdreiziger: een ontwerpbureau dat zorg draagt voor erfgoed met het oog op de toekomst en verandering niet forceert, maar begeleidt.

Over een periode van vijf jaar werkte het bureau aan verschillende ingrepen in het dorp: woonprojecten, de herbestemming van de kerk tot tentoonstellingsruimte, de heropening van dorpscafé de Valk en het aantrekken van nieuwe lokale functies. Niet als één allesomvattend masterplan, maar als een opeenvolging van kleine, intuïtieve stappen die samen een merkbare verandering teweegbrachten.
Een centrale ingreep was de herontwikkeling van een verlaten boerenerf tot een hedendaags woonerf. De oorspronkelijke hoeve was jarenlang verwaarloosd en door de natuur overgenomen, maar het nieuwe ontwerp vertrok van duidelijke principes: behoud van de schuur, respect voor historische toegang en voetwegen, en nieuwe volumes niet aan de straat maar rond een collectief binnenplein. Door het klassieke vierkantshoeve-type open te breken, ontstond een ensemble van nieuwbouw en herbestemd erfgoed, met een semi-publieke buitenruimte als sociaal hart.
Dat binnenplein evolueerde gaandeweg, ook door input van bewoners. Wat begon als een formeel ontwerp werd informeler ingevuld met zitplekken, wandelpaadjes en een gezamenlijke moestuin. Volgens Heuleu toont het project hoe architectuur sociale interactie kan faciliteren zonder die te sturen. Erfgoed speelde daarbij geen remmende, maar net een sturende rol: schuren, tuinmuren, zichtlijnen en voetwegen werden niet alleen bewaard, maar opnieuw betekenisvol gemaakt.
“Geduld en draagkracht, dat zijn hier de sleutelwoorden.”- Bruno Heuleu
Na vijf jaar intensief werken is het volgens Heuleu tijd om los te laten. Rozebeke bewijst dat een dorp zich kan vernieuwen zonder zichzelf te verliezen, mits men bereid is de tijd haar werk te laten doen.

Panelgesprek – Regie, gemeenschap en het juiste moment
In het panelgesprek, gemodereerd door Tine Hens, kwamen de verschillende perspectieven samen. Een terugkerend thema was de spanning tussen enerzijds institutionele logica, die vaak nog gericht is op snelle verkaveling en anderzijds de nood aan langetermijndenken, gedragen door bewoners en landschap.
Er werd stilgestaan bij de rol van burgers in ruimtelijke processen. Zowel Pauwels als Heuleu benadrukten dat niet-architecten wel degelijk in staat zijn om mee na te denken over de kwaliteit van hun leefomgeving, mits ze toegang krijgen tot kennis en verbeelding. Walpot benadrukte dat beleidskaders net daarom helder en toegankelijk moeten zijn.
Ook het belang van tijd als ontwerpinstrument kwam sterk naar voren. Niet elk probleem vraagt om onmiddellijke actie; soms is het afwachten van het juiste moment doorslaggevend. Kleine minderheden kunnen, door volgehouden engagement, een beleidsomslag teweegbrengen.




Tot slot
De avond maakte duidelijk dat dorpse woonlandschappen geen nostalgisch ideaal zijn, maar een actuele ontwerpopgave. De Zwalmstreek toont hoe burgerinitiatief, beleidsinstrumenten en ontwerpend onderzoek elkaar kunnen versterken.
De bijdragen van Pauwels, Walpot en Heuleu illustreren dat ruimtelijke kwaliteit ontstaat in de samenhang tussen landschap, gemeenschap en tijd. Niet door snelle oplossingen, maar door zorgvuldige processen, gedeelde verantwoordelijkheid en de durf om anders te kijken naar ontwikkeling.
We sloten de avond af met een gezellige netwerkreceptie.







