Verslag | Studiedag Dorpse Interieurs: over antropologie en dorpsruimte
VERSLAG – Op vrijdag 25 september 2026 organiseerden gemeente Laakdal, Welzijnszorg Kempen en AR-TUR de studiedag Dorpse Interieurs: over antropologie en dorpsruimte. Vanuit het antropologisch onderzoek Het leven zoals het is in Groot-Vorst en Wortel dat Ruth Soenen (Simply Community) in de loop van 2025 in opdracht van AR-TUR uitvoerde, onderzochten we hoe inzichten uit het dagelijkse leven van dorpsbewoners kunnen bijdragen aan levendige, verbonden en toekomstgerichte dorpen.
Tekst: Hanna De Mey
Foto's: Kelly Donckers Fotografie
Het is een zonnige namiddag. Een paar deelnemers van deze samenwerkingsdag hebben net nog geluncht in de laatste zomerzon, een enkeling haalt snel nog een kopje koffie voor we van start gaan. Wie rondkijkt, ziet het hele dorp in één zaal: wie het tekent, wie het bestuurt en wie er woont. Die blikken met elkaar in gesprek brengen, is precies de inzet van de dag.
We zijn te gast in Laakdal, in ontmoetingscentrum 't Fortun. Een ontmoetingscentrum als vergaderlocatie voor een dag over ontmoeten: het is een toepasselijke keuze. Ook de gemeente zelf is niet zomaar het decor van vandaag, want Groot-Vorst, een van de deeldorpen van Laakdal, staat centraal in het antropologisch onderzoek dat het vertrekpunt vormt van de studiedag Dorpse interieurs. Op uitnodiging van AR-TUR, de gemeente Laakdal en Welzijnszorg Kempen zitten antropoloog, ontwerpers, beleidsmakers, sociaal werkers en bewoners er een namiddag lang samen rond één vraag: hoe beleven mensen vandaag hun dorp, en wat betekent dat voor wie het ontwerpt of bestuurt?

Waarom een antropologisch dorpenonderzoek?
Inleidend gesprek met Tine Gielis, burgemeester van Laakdal, en Edith Wouters, artistiek coördinator van AR-TUR, gemodereerd door Tine Hens
Moderator Tine Hens schreef de voorbije maanden mee aan het inspiratieboek over dorpse woonlandschappen dat AR-TUR voorbereidt. Daarvoor bracht ze heel wat tijd door in Wortel, en één uitspraak is haar bijgebleven. “Er kwam ook eens een bus architectuurstudenten langs. Ze liepen wat rond, stapten weer op de bus en voor we het wisten, waren ze alweer weg. Later stuurden ze het ontwerp door. Het dorp was een groene oase geworden, maar het leven was weggewist.” De man die het zei, zit vandaag in de zaal.

Daarmee ligt de inzet van de dag op tafel. Ook de parochiezaal van Wortel komt ter sprake. Tine Hens noemt ze “een architecturaal gedrocht, ik denk dat we dat objectief zo mogen stellen”. Toch heeft iedereen in Wortel er herinneringen aan. Plekken die op het eerste gezicht oninteressant lijken, kunnen voor bewoners net het meest betekenen. Wat kunnen ontwerpers, beleidsmakers en sociale organisaties leren van hoe mensen hun dorp ervaren, wat ze missen, waar ze naar verlangen en wat ze koesteren? Daarover gaat het vandaag.
Edith Wouters legt uit waarom AR-TUR een antropologisch onderzoek liet uitvoeren in Groot-Vorst en Wortel. Dorpen transformeren, en dat gaat razendsnel. Zeven jaar geleden zag AR-TUR de eerste golven van appartementisering, en tegelijk de signalen van bewoners die een verlies aan identiteit ervaren: het gevoel niet meer thuis te zijn op een plek die je herkent. Het antwoord toen was de Toolbox Dorpse Architectuur, maar een dorp is meer dan architectuur. Voorzieningen verdwijnen, en iedereen kent het verhaal van de warme bakker die het moet afleggen tegen de dumpingprijzen van de supermarkten. En steeds meer bewoners hebben het gevoel dat ze de mensen in hun eigen dorp niet meer kennen.
Heeft dat verlies aan sociaal weefsel iets te maken met de ruimtelijke transitie van het dorp? Om die vraag te onderzoeken, klopte AR-TUR aan bij antropologe Ruth Soenen, die eerder al met ontwerpers samenwerkte. Edith merkt ook bij beleidsmakers en ambtenaren een soort controleverlies. Op een gegeven moment wisten omgevingsambtenaren en schepencolleges niet meer goed hoe ze met de appartementisering moesten omgaan.

Burgemeester Tine Gielis stapte mee in het traject, “vooral door de overtuigende kracht van Eric Nysmans”, lacht ze. Ze doelt op Eric Nysmans, directeur van Welzijnszorg Kempen en zelf inwoner van Groot-Vorst. Maar er is ook een diepere reden. In twintig jaar burgemeesterschap zag ze het deel van de bevolking dat ze via het verenigingsleven bereikt alleen maar kleiner worden. Bij huisbezoeken gingen deuren open van mensen die ze nog nooit had gezien.
De appartementisering in Groot-Vorst noemt ze eerlijk “een grote evenwichtsoefening”. Jonge en oudere inwoners kunnen in het dorp blijven wonen, maar er komen ook mensen die er enkel wonen en werken, zonder band met de gemeenschap. Toch gelooft ze in het verlangen naar verbinding: “Ik denk dat iedereen wel connectie wil maken of ergens bij wil horen.” De resultaten van het onderzoek van Ruth Soenen naar het dorpsleven in Groot-Vorst zijn intussen meegenomen in het meerjarenplan en het bestuursakkoord van Laakdal.
Het dorpsleven zoals het is in Groot-Vorst en Wortel
Presentatie van het antropologisch dorpenonderzoek ‘Het leven zoals het is in Groot-Vorst en Wortel’ door Ruth Soenen, Simply Community
Ruth Soenen laat ons meekijken door “het oog van de antropoloog”. Met veel passie onderzoekt ze al jaren het gewone leven van mensen in Vlaanderen, zonder onderscheid tussen stad, platteland of alles daartussen. Krijgt ze de kans om een dorp te onderzoeken, dan doet ze dat graag, want zulke onderzoeken zijn zeldzaam en de uitdagingen groot. Maandenlang liep ze rond in Groot-Vorst. Omdat dit soort antropologisch onderzoek niet zo mainstream is, staat ze eerst kort stil bij haar methode. Antropologen kijken naar fenomenen die voor iedereen herkenbaar zijn, maar zetten ze in een ander licht en structureren ze op een andere manier, zodat er een nieuwe diagnose ontstaat. Het gaat dus niet alleen om data verzamelen, maar ook om die anders te analyseren: op zoek naar contrasten en vooral naar de subjectieve betekenis die mensen aan hun dorp geven. “Ik hoop dat ik u op het einde van de lezing een paar nieuwe ogen heb kunnen geven.”

Cruciaal is het onderscheid tussen hoofdingang- en zij-ingangmensen. Via de hoofdingang kom je bij de trekkers en organisaties, de mensen die ontwerpers en beleidsmakers meestal ook spreken. Ruth zoekt bewust de zij-ingang: mensen met een andere origine, mensen in armoede, maar evengoed de middenklassedame die meteen zegt dat ze niets te vertellen heeft. Vragenlijsten komen er niet aan te pas, goede gesprekken wel, meestal gewoon bij mensen thuis. Tussen maart en mei 2025 gingen in Groot-Vorst zo 55 bewoners in op een diepgaand gesprek. Eric Nysmans, geboren en getogen in het dorp, was “onze belangrijkste gatekeeper, zoals we dat in de antropologie noemen”. In Wortel volgde een bescheidener vergelijking met 21 bewoners. Makkelijk was het niet, want in Groot-Vorst verliep het rekruteren traag. Het onderzoek onderscheidt drie dorpsbelevingen. Wie “thuis is in één dorp”, zo’n 40 procent van de respondenten, heeft Groot-Vorst als middelpunt van het leven. “Waarom zouden we verder moeten gaan, we hebben hier toch alles”, zegt Louis (89). “Onze grootmoeders waren vriendinnen en onze moeders ook en nu wij ook”, vertelt Fran (37). Alle namen zijn schuilnamen. Veel bewoners in dit profiel vinden het belangrijk dat de leerkrachten en de ambtenaren op het gemeentehuis zelf van Groot-Vorst zijn, anders komt er volgens hen geen levendigheid in het dorp.
Wie “thuis is in (Kempense) dorpen”, zo’n 30 procent, voelt zich verbonden met een reeks dorpen in de buurt, waar familie woont en de voorzieningen te vinden zijn. De grote stad blijft vreemd: “Een grote stad daar ben ik toch bang en daar kom ik niet”, zegt Sara (45). Natasja (32), die een verstandelijke beperking heeft, drinkt graag iets in 't Fortun, waar we vandaag zitten, maar trekt net zo goed naar een snackbar in Geel of een crèmerie in Oosterlo.
De derde groep, opnieuw zo’n 30 procent, is “stedelijk thuis in het dorp”. Lisa (43) verwoordt het zo: “Wij houden van ons dorp. Het is er fijn wonen in het groen maar een stad dat is ook een heuse beleving. Dat willen we niet aan ons voorbij laten gaan.” Het dorp is voor hen een vertrek- en terugkeerpunt. Deze bewoners, vaak inwijkelingen, trekken naar Brussel, Leuven, Antwerpen of Maastricht, niet om te shoppen maar voor cultuur of een wereldkeuken. Zij benoemen ook de schaduwkanten van de dorpsmentaliteit, zoals roddel. Ruth nuanceert: voor antropologen is roddel een normaal sociaal fenomeen tussen bekenden, een manier waarop een groep haar waarden bewaakt.

Dan volgt een vaststelling die de rest van de dag blijft naklinken. Voor de eerste twee groepen verwijst het dorp naar een wereld van bekenden, naar een sociale structuur. Het fysieke dorp is daarbij geen referentie meer. Alleen wie stedelijk thuis is in het dorp, legt nog een ruimtelijke link, met het groen, de natuur en de rust. Voor 70 procent van de respondenten is het dorp dus in de eerste plaats een netwerk van mensen, geen plek. Bovendien, zegt Ruth, kennen besturen vooral die eerste dorpsbeleving goed.
Ook in de sociale relaties ziet Ruth drie profielen: de “ingekapselden”, die veel contacten hebben maar altijd met dezelfde geboren en getogen bewoners, de “netwerkers hier en elders” en de “afgezonderden”, die weinig of geen contacten hebben en nauwelijks zichtbaar zijn. De ingekapselden zijn tevreden, maar beseffen niet welk neveneffect hun hechte kring heeft voor wie van buiten komt. Onbekend is onbemind. Tina (69), afkomstig uit Meerhout, vertelt dat ze in haar eerste jaren in Groot-Vorst heel eenzaam was en vaak gehuild heeft. Ginette (67), opgegroeid in een Antwerpse volksbuurt, deed jarenlang vrijwilligerswerk voor ze andere dorpsbewoners echt leerde kennen.
Ruth leest ook een typisch dorpsverhaal voor dat velen zullen herkennen: samen op school, samen in de chiro, ouders die elkaar kenden, trouwen met iemand uit de buurt, en nu zitten de kinderen op hun beurt in de chiro. Wie zo opgroeit, kiest er na studies elders vaak bewust voor om te blijven, want “we kunnen niet leven waar we niemand kennen”. Maar ook in die dorpsidylle zitten barstjes. De oudere generatie zit in een sterke verlieservaring. In sommige Vlaamse dorpen draait de kermis al jaren goed, in andere verdwijnt ze, en in Groot-Vorst is ze verdwenen. Dat wordt echt als een gemis ervaren. “Vroeger met de kermis dat was wat. Dat zag hier zwart van het volk”, zegt Louis. Ook een aantal verenigingen kapselt zich in, met dezelfde families en dezelfde gezichten die de vereniging trekken en eraan deelnemen, en die het liefst elk jaar dezelfde activiteiten organiseren. En wat we vaak vergeten: onder bekenden zijn geeft sociale steun, maar kan ook veel persoonlijke conflicten met zich meebrengen. De een vindt dat hij niet genoeg bedankt wordt, de ander dat er niet meer geluisterd wordt, en dan is er nog de oudere voorzitter die niet wil loslaten, waardoor dingen geblokkeerd raken. Tegelijk zijn er inwijkelingen die de anonimiteit net waarderen: “Hier kennen ze mij niet.”

Over de dorpsruimte vallen enkele verrassende vaststellingen. Kinderen vragen niet zomaar meer speeltuigen, maar een plek waar ze zelfstandig en veilig kunnen spelen, zonder volwassenen. Een andere vaststelling klinkt als een uitroep: “Niemand neemt de bus hier!” Toen Ruth bij een huisbezoek vertelden dat ze met de bus gekomen waren, kon hun gastheer daar niet over en bracht hen zelf met de auto weg. Stoepen zijn er weinig, en toch wordt er enorm veel gewandeld, langs een netwerk van paadjes tussen de huizen. Het is een troef van Groot-Vorst, want in Wortel verdwenen zulke paadjes onder landbouw en extra bebouwing. En dan zijn er de voortuinen, vaak met kunstgras, kunsthagen en zelfs kunstbloemen. Voor velen is dat “proper” en makkelijk. Families met landbouwwortels vinden het daarentegen verschrikkelijk en blijven trouw aan hun hortensia’s.
Om af te ronden keert Ruth terug naar haar vertrekvraag: is het dorp nog een sociaal-ruimtelijk geheel? In Wortel, met zijn meer pittoreske centrum, bestaat er nog een herkenbaar ruimtelijk beeld dat samengaat met een sociale structuur. Dat is het grote verschil met Groot-Vorst. Ruth adviseert daarom om in dorpen met al wat meer appartementisering en minder erfgoed de fysieke vorm van het dorp op een eigentijdse manier vorm te geven, zodat er opnieuw een beeld kan ontstaan van het dorp. Dorp en stad hoeven daarbij geen tegenpolen te zijn: ook in Groot-Vorst hecht 30 procent van de respondenten waarde aan zowel het dorp als de stad, en die begrippen worden steeds vloeiender. Tot slot gaat het niet alleen om vormgeving, maar ook om community. Een duurzame dorpsgemeenschap vraagt een dynamisch evenwicht, waarin je samen kunt zijn met bekenden, maar waar ook onbekenden makkelijker aansluiten. In Wortel ziet ze daar een mooi voorbeeld van: het voormalige jeugdhuis is uitgegroeid tot een intergenerationele plek waar verschillende leeftijden samenkomen.
Die 70 procent van de respondenten, voor wie het dorp vooral een netwerk van mensen is en geen ruimtelijke structuur, roept meteen vragen op. Een ruimtelijk ontwerper in de zaal neemt het woord: “Ik kom uit een stad. Ik vind een dorp idyllisch. Ik vind de ruimtelijke structuur van dorpen heel belangrijk.” Dat 70 procent vooral met het sociale bezig is, is voor de ontwerper een eyeopener. Is appartementisering voor die mensen dan misschien net een manier om een plekje in het dorp te vinden? “Het is misschien minder erg dat daar dan lelijke dingen staan.” Ruth is stellig: “Ik denk niet dat de conclusie is dat het ruimtelijke niet belangrijk is.” Er ligt volgens haar net een grote opdracht voor de ruimte, want er is ook een verlieservaring, en dan gaat het vooral over het groen. Maar antropologisch onderzoek laat zich niet “simplistisch vertalen, zoals we soms met statistiek doen”. Dat moet samen gebeuren, met beleidsmensen, ontwerpers en sociale deskundigen.

Ook Ruths methode roept vragen op. Hoe representatief is een onderzoek met enkele gesprekken? Ruth is duidelijk: het onderzoek zoekt diversiteit, geen gemiddelde. “Wij gaan bij mensen die nooit naar een vergadering komen, die ook geen papieren gaan invullen en zeker niet online.”
Een laatste vraag gaat over betaalbaar wonen. Kinderen van bewoners vinden in de regio geen betaalbare woning meer, maar wordt dat door de dorpsbewoners ook als een probleem ervaren? En nu steeds meer inwijkelingen moeilijk contact krijgen met de rest van het dorp: zijn er plekken waar zulke contacten wel ontstaan? In Groot-Vorst werden er in het onderzoek nauwelijks zulke plekken genoemd, antwoordt Ruth. Het ontbreekt er aan spontane ontmoetingsplekken. Hoe collectieve ruimtes dat kunnen opvangen, daar gaat Dieter Leyssen straks verder op in.
Tine Hens stuurt de zaal de pauze in met één opdracht: “Spreek een vreemde aan.” Het advies wordt ter harte genomen. Na de pauze moet ze gesprekken onderbreken die nog lang niet klaar zijn. “Maar wel fantastisch om te zien dat er zo met elkaar gepraat werd.” Een kleine ironie na Ruths vaststelling: er moet op tijd afgerond worden, want enkele deelnemers zijn met de bus gekomen.
Van stedelijk naar dorps interieur
Presentatie over mogelijke ingrepen in de publieke ruimte op basis van antropologisch onderzoek door Dieter Leyssen, architect en stadssocioloog bij 51N4E en ACTE
Dieter Leyssen werkt al jaren samen met Ruth, van Zeebrugge over Antwerpen en Gent tot net over de grens in Nederland. Samen ontwikkelden ze een methode waarin ruimtelijk ontwerp en antropologische analyse elkaar vinden. De gemeenschappelijke deler van ontwerper en antropoloog? Collages maken, assemblages van verschillende componenten. In een eerdere publicatie noemden ze dat het stedelijk interieur, “maar waar we eigenlijk ook heel graag het dorpse interieur willen maken”. Meteen is ook de titel van deze studiedag verklaard.

Dieter onderscheidt vier ontwerpopgaven. De eerste is het groot gebaar met sprekende details: een sterke ruimtelijke figuur, zoals een park of een belangrijke straat, met details op menselijke schaal voor verschillende groepen. In Kortrijk maakte 51N4E winkelstraten groener en onthardde ze, maar voegde er ook een laag van ontmoeting en spel aan toe. Er is een bank met een goede leuning voor de tachtigjarige dame die even moet uitrusten van het winkelen, een zitobject waar kinderen op kunnen klimmen, en een stoel waarin je net met twee kunt zitten, “eigenlijk een beetje te dicht bij elkaar”. Herkenbare elementen zoals een glijbaan, een schommel en een brandweerpaal maken meteen duidelijk dat je hier mag spelen. Omdat het ontharden van een drukke winkelstraat voor een bestuur spannend is, werd eerst getest met een tijdelijke inrichting. Zo bleek een lange picknicktafel vooral afval aan te trekken, een les die in het definitieve ontwerp werd meegenomen.

De tweede opgave zijn de micro-burenruimten: kleine ingrepen in restruimtes, vlak bij de woning, waar mensen elkaar tegenkomen als ze thuiskomen of vertrekken. In de Volmolenlaan in Leuven vroegen buren samen een onthardingssubsidie aan. Met een tijdelijke opstelling testten ze een weekend lang hoe hun straat eruit zou zien als de voortuinen aan één kant één doorlopend park vormden. Vandaag bestaat dat park, en de vzw van de buren staat in voor het onderhoud. Zo’n transformatie gaat niet alleen over de publieke ruimte, maar ook over een nieuwe manier van samenwerken tussen gemeente, buren, ontwerper en groenaannemer. Dieter noemt het governance: Het bepaalt of een project de stap zet van een tijdelijke ingreep naar een blijvende situatie, want een gedeeld park van voortuinen onderhoud je anders dan elk je eigen tuintje.

De derde opgave, de ruimtelijke ontdekking, gaat over plekken met onbenut potentieel, achter de schermen. Op C-Mine in Genk, aan de achterkant van de wijk Winterslag, dienden trage paden als kapstok voor nieuwe woonomgevingen en voorzieningen. Ruth en Pim trokken de wijk in en legden de voorgestelde woontypes, getekend in acht schetsen, voor aan bewoners. Wat geen weerklank vond, werd meteen bijgestuurd. Het masterplan dat daaruit volgde, wordt nu in een ruimtelijk uitvoeringsplan verankerd.
De vierde opgave, de antropologische ontdekking, geeft een ongewone laag aan een gekende, banale plek, zoals de steenweg of de parking van de supermarkt. Een voorbeeld daarvan heeft Dieter nog niet, geeft hij eerlijk toe, wel “heel veel goesting om daar mee aan de slag te gaan. Misschien hier in een van de Kempense dorpen.”
Mensen hangen niet aan koordjes
Presentatie ‘Hoe breng je terug leven in een dorp?’ door Ruth Soenen, Simply Community
Tine Hens kondigt Ruths tweede presentatie aan als het moment waarop ze “de toverformule” zal onthullen. Ruth tempert meteen de verwachtingen: “Mensen hangen niet aan koordjes.” Meer dan twintig jaar geleden introduceerde ze het begrip ‘het kleine ontmoeten’. Intussen is het gemeengoed geworden, en net daarom wil ze verduidelijken wat ze er oorspronkelijk mee bedoelde.

Ze onderscheidt drie vormen van community. De klassieke community is een groep met een collectieve identiteit, gebouwd op sterke banden tussen bekenden: de seniorenvereniging, de creaclub, het stamcafé.
De tweede vorm, de community onder buren, beleeft vandaag een revival en draait om herkenbaarheid: buren leren elkaar op zijn minst van gezicht kennen. Maar ook die vorm heeft grenzen. “Ik kreeg een uitnodiging van de buren voor een buurtbarbecue. Maar daar ga ik niet naar toe. Ik ken daar niemand!” Community en onbekendheid lijken voor veel mensen onverenigbaar, en precies dat werkt het sociale leven in een dorp tegen.
Daarom pleit Ruth voor een derde vorm: een community met een dosis onbekendheid. Ze vertelt hoe haar zoontje jaren geleden in een winkel met speelhoek een tiental minuten speelde met een meisje dat hij nooit eerder had gezien. Bij het vertrek moest hij haar per se nog gedag zeggen: “Daaaag… tot nooit meer!” Kort, maar niet betekenisloos. Community kan tien minuten duren of zes jaar, zoals bij ouders die elkaar aan de schoolpoort leren kennen en sommige contacten meenemen naar de sportclub, terwijl ze andere achterlaten. Ruth spreekt van ‘stitch & split’. En: “Ontmoeten is ook altijd een stuk vermijden.” Wie zich af en toe kan terugtrekken, komt makkelijker terug.
Vijf voorbeelden maken het concreet. Het eerste, ‘Breien anders’, is een project van samenlevingsopbouw met een eenvoudige inhoud, maar een gelaagde aanpak. Het begon niet met het samenbrengen van breiers, maar met een tiental breizakjes die op de markt werden uitgedeeld. Wie er een kreeg, breide een stukje, schreef er iets bij of trok een foto, en gaf het door. Zo reisden de zakjes de hele gemeente rond, soms zelfs tot in het buitenland, maar ze kwamen altijd terug. Daarnaast kwamen er laagdrempelige breicursussen voor iedereen, en werd er samen gebreid voor de winterstoet, een belangrijk gebeuren in die gemeente. Als slot volgde een groot publiek breimoment in een zaal, waarna een kunstenaar met al dat breiwerk een groot gebouw in de gemeente inpakte. Het ging dus minder om een breiclub dan om een netwerk.

Verenigingen zijn een sterke Vlaamse traditie, maar soms waait er weinig frisse wind door. Met ‘Parochiaal’ kijkt Ruth er op een andere manier naar. Parochiaal staat voor vertrouwdheid en herkenbaarheid, maar daardoor kunnen verenigingen ook ingekapseld raken. Door verschillende verenigingen samen te brengen, krijgen ze een dosis onbekendheid die hen nieuw leven inblaast. Ruth stuitte op dit voorbeeld toen ze voor culturele centra op zoek was naar andere vormen van community. In een gemeente met heel wat koren, het ene al wat serieuzer dan het andere, werd een gezamenlijk project opgezet waarin alle koren samenwerkten.
Ook tussen buren kan het anders. Bij ‘onder buren’ of ‘buurtijd’ geven buren elkaar geen materiaal, maar tijd. Wie een uur helpt om een kast te verzetten, krijgt een uur hulp terug, en zo kan ook wie niets te delen heeft iets geven. Een professional fungeert daarbij als ‘publieke draaischijf’. Het vierde voorbeeld, ‘Spelen met druppels’, is bedoeld voor plekken waar het centrum met al zijn voorzieningen ver weg ligt. Je kunt niet overal alles neerzetten, maar je kunt wel met een druppel werken. In een Nederlandse wijk, een project samen met 51N4E, kocht de gemeente een huis op. Daar kwam af en toe de bibliotheek een lezing geven, was er eens een huiskamerconcert en kon je er broodjes kopen van de populairste broodjeszaak uit het centrum. Ruth noemt het een “homeopathische besmetting vanuit het centrum”.
Een laatste voorbeeld, ‘onder dorpsbewoners’, speelt zich af in een Zweeds dorp van enkele honderden inwoners, in een land waar eenzaamheid een groot thema is. Tijdens de ‘cykelrally’ fietsen bewoners van huiskamer naar huiskamer, telkens voor een ander gerecht en telkens met andere huishoudens, tot ze elkaar allemaal terugzien op een gezamenlijk feest.
“Een groep samenbrengen, dat lukt eigenlijk nog wel vandaag”, besluit Ruth. De diversiteit bewaken en de groep openhouden, dat is veel moeilijker, “en dat wordt onderschat”. Succesvolle community brengt ook conflicten mee. Daarom kan community niet enkel op de schouders van vrijwilligers rusten, maar vraagt ze af en toe professionele bemiddeling. Uit de zaal komt nog een vraag over de deelgemeenten van Laakdal: hoe verbind je die met elkaar? Ruth herkent het vraagstuk uit Winterslag, waar één wijk eigenlijk uit drie of vier buurten bestond. Community-werk vertrekt vaak van het lokale niveau, maar vandaag is het minstens even belangrijk om over die grenzen heen te werken en kruisbestuiving te zoeken, ook al is dat moeilijker. Over het politieke niveau spreekt ze zich niet uit, maar je kunt wel nagaan waar inwoners zich naartoe verplaatsen en waarom. Grote evenementen voor de hele gemeente zijn symbolisch belangrijk, maar brengen weinig echte interactie op gang. Beter werk je ook hier met kleine druppels, zoals in Zweden: “Omgaan met nieuwe, onbekende mensen gaat altijd veel beter in kleine groepen.”
Hoe krijg je terug leven in een dorp?
Panelgesprek met Chiel Peeters, schepen van Ruimtelijke Ordening in Laakdal, Eric Nysmans, directeur van Welzijnszorg Kempen en inwoner van Groot-Vorst, Joris Van Reusel, ontwerper en docent, en Katrien Loots, Avansa Kempen
Op het podium begint intussen een kleine stoelendans om plaats te maken voor het panel. “Je ziet, het is echt helemaal in het teken van kleine ontmoetingen”, grapt Tine Hens. Er is maar één microfoon, dus die wordt gedeeld.

Eric Nysmans was de allerlaatste die voor het onderzoek van Ruth geïnterviewd werd, en hij herkent zichzelf in twee van de drie dorpsbelevingen. Hij begon als ingekapselde: hoofdleider bij de chiro, actief in de parochie en bij de KWB. De voorbije twintig jaar schoof hij op naar stedelijk thuis in het dorp. Hoe groot die verschuiving is, merkte hij in het stemlokaal. Toen hij in de jaren negentig als dertiger bijzitter was in zijn eigen dorp, kende hij een derde van de kiezers goed, had hij een derde ooit gezien en een derde nooit. Bij de laatste verkiezingen herkende hij nog maar een tiende. En wie zit er in het schepencollege en de gemeenteraad? Bijna altijd mensen uit de eerste groep. “In feite voeren wij beleid voor een derde van de mensen.”

Schepen Chiel Peeters knikt. Op infomomenten ziet hij vaak dezelfde gezichten als bij de verenigingen en op de eetfestijnen. Bij huisbezoeken krijgt hij geregeld hetzelfde antwoord: “Ja, maar ik ben niet van hier.” Wie dan vraagt hoelang die mensen er al wonen, hoort twintig of dertig jaar. Toch leeft het gevoel dat ze niet het recht hebben om hun stempel op het dorp te drukken. Het bestuur heeft dus blinde vlekken, erkent Chiel, en ook voor die groep moet beleid gemaakt en ruimte ingericht worden. Eric wijst op nog een vergeten drempel: “Deelnemen aan het sociaal leven is duur.” Een dorpsfeest kost al snel vijftig of zestig euro, terwijl sommige mensen met dat bedrag een hele week moeten rondkomen.

Joris Van Reusel kijkt met een ontwerpersbril. Voor hem zijn zulke onderzoeken noodzakelijk om radicaal anders na te denken over dorpen. Hij woont in Antwerpen, maar zijn vader is geboren in Geel. “Vroeger zei men: ken je de weg en spreek je de taal? Dan was je van hier. Nu hebben we Waze, we hebben Google Translate.” Afstanden lijken niet meer te bestaan, “en toch wonen we op een plek die we betekenis moeten kunnen geven”. Dat roept volgens hem veel vragen op, en hij ziet drie grote uitdagingen. Hoe renoveer je de bestaande infrastructuur zo dat er in de tussenruimtes plaats komt voor ontmoeting? En hoe zet je via het vergunnings- en ruimtelijk ordeningsbeleid in op woontypologieën die tussenruimtes, collectieve ruimtes en nabuurschap stimuleren? Veel jonge architecten en stedenbouwkundigen hebben daar vanuit hun opleiding al aandacht voor, en ook projectontwikkelaars kun je daarin aanmoedigen. De derde uitdaging ligt op het vlak van klimaat en biodiversiteit. Er wordt veel gesproken over stadsnatuur, maar ook in dorpen is er heel wat natuur. De paadjes van Groot-Vorst zijn veilig en dichtbij, anders dan de grote open heide waar mensen niet altijd alleen gaan wandelen. Je kunt er spechten, egels en vleermuizen ontdekken, en er activiteiten en onderwijs aan koppelen.
Wanneer Tine Hens de auto ter sprake brengt, amper genoemd maar alomtegenwoordig in onze dorpen, erkent Chiel dat de wagen in landelijk Vlaanderen belangrijk blijft. Maar de trage wegen zijn “de ruggengraat van die kleine ontmoetingen”. De auto wegduwen, daar gelooft hij niet in, wel in het uitlokken van mensen. De nieuwe supermarkt in Groot-Vorst heeft een grote parking, maar is ook bereikbaar via een trage weg. En de grote, vlakke grasvelden van weleer worden anders beheerd: het gras mag groeien, er worden paadjes in gemaaid en er komen banken. Zo wordt een groen plein een belevingspleintje.

Katrien Loots van Avansa Kempen herkent veel van Ruths aanpak in haar eigen werk. Avansa zoekt mensen op waar ze zijn: op de parking, aan de schoolpoort, in de straten en de cafés. Wat aan de hoofdingang leeft, weten ze meestal snel. Het echte werk is ontdekken wat er aan de zij-ingangen leeft, en welke “goestingskes” mensen hebben. Het engagement van vrijwilligers is veranderd, eerder tijdelijk dan levenslang. Daarom organiseert Avansa geen vast spelletjesmoment drie keer per maand meer, maar een koffiemoment van een uurtje of twee midden in de straat. Wie toevallig passeert, schuift aan, zonder drempel en zonder verplichting. In de wijk waar ze nu werkt, komen er in oktober pompoenen op het plein, omdat bewoners nog altijd met plezier vertellen over de Halloweenfeesten van twintig jaar geleden. Joris reageert meteen: laat de chiro er een tijdelijke luifel bouwen. In zijn eigen Antwerpse buurt ontstond rond zo’n luifel een nieuw groepje ‘zeilmeesters’, mensen die niet voor de rommelmarkt kwamen, maar wel graag meebouwden.
Tine Hens legt ook een vaststelling op tafel: “We zijn allemaal heel wit hier aanwezig”, terwijl onze dorpen steeds diverser worden. Katrien geeft toe dat ze zelf tot haar zeventiende een ingekapselde was. Op een nieuw plein met luifel ziet ze hoe snel de perceptie van ‘hangjongeren’ opduikt wanneer niemand nadenkt over wat er sociaal met zo’n plek gebeurt. Ontwerpers kunnen ruimte creëren, maar er moet ook iemand aanwezig zijn: “de nieuwe pastoor van vandaag”, al ziet ze zichzelf niet meteen in een zwart kleed.
Eric, historicus van opleiding, trekt die lijn door. Toen hij jong was, telde Laakdal vijf parochies en negen priesters die ook maatschappelijk werk deden. Daar is volgens hem een hedendaagse vorm voor nodig. Hij vertelt over de gepensioneerde die alleen naar een feest van de gemeente gaat, op elke vrije stoel een jas ziet liggen, rechtsomkeer maakt en nooit meer terugkomt. En hij neemt bezoekers graag mee langs de plastic hagen en stenen voortuinen van een veertig jaar oude verkaveling. “Hoe kun je daar nu in godsnaam nog een warm dorpsgevoel houden?” Hij mist de bankjes aan de voordeur die hij veertig jaar geleden nog overal zag.

Chiel vat de rol van het bestuur samen: “Als gemeente zijn we de regisseur van het dorp van morgen.” Een project stopt niet aan de perceelsgrens. Zoals projecten op hun mobiliteitsimpact beoordeeld worden, zouden ze ook op hun maatschappelijke impact getoetst moeten worden. Klachten over appartementisering gaan volgens hem vaak over iets anders: over een dorp dat niet meer herkenbaar is, over nieuwe gezichten in het straatbeeld. Goed ingepaste verdichting kan net pleintjes met elkaar verbinden of een trage weg mogelijk maken naast de drukke gewestweg. Joris vult aan dat verdichting veel met architectuur te maken heeft. Hij denkt aan de inkomhallen in Milaan, met een portier, een luifel en een paraplubak. “Nu is het allemaal binnenkomen, de lift in of de garage in en verdwijnen in uw eigen appartement.”
Uit de zaal klinkt ook twijfel. Een jonge deelneemster weet dat verdichting nodig is, maar vindt het moeilijk om het in haar eigen dorp te zien gebeuren, terwijl haar generatie nog droomt van een huis op een wat groter perceel. Joris wijst op het rijke palet aan tussenvormen tussen het appartement met lift en de villa. Ruth vult aan dat een collectieve tuin bij jonge gezinnen pas werkt als iedereen ook een eigen stukje privétuin heeft. Mensen willen een buffer rond hun woning. Haar favoriete voorbeeld van praktisch gedeeld gebruik is dan ook verrassend nuchter: een grote gemeenschappelijke wasmachine voor gordijnen en dekens. “Dat is één van mijn toppers.”
De nieuwe pastoor
Wat doorheen de namiddag opvalt, is hoe vaak dezelfde figuur opduikt, telkens in een andere gedaante. Ruth spreekt over een professional als “publieke draaischijf” tussen buren. Eric wil een hedendaagse versie van de priesters die vroeger ook aan gemeenschapsvorming deden. Katrien heeft het over “de nieuwe pastoor van vandaag”. En Tine Hens besluit met een knipoog dat ze zelf ook een goede pastoor zou zijn. Het is geen pleidooi voor de terugkeer van de parochie, wel voor iemand die neutraal genoeg is om te bemiddelen en een groep open te houden. Vrijwilligers blijven onmisbaar, maar een groep die enkel uit insiders bestaat, kan zichzelf moeilijk bemiddelen. Volgens Ruth wordt dat in de politiek, links én rechts, weleens vergeten.

Wie we niet zien
Een tweede rode draad zijn de blinde vlekken: de zij-ingangmensen uit Ruths onderzoek, de negen op tien kiezers die Eric vandaag niet meer kent, de inwoner die na dertig jaar nog zegt dat hij niet van hier is, de gezinnen voor wie een dorpsfeest te duur is. Ook de jongeren horen in dat rijtje. “Er is niks zo leuk als met vrienden op een zomeravond ergens op een pleintje gaan zitten”, zegt Chiel, maar vaak voelen ze zich nergens welkom. Die groepen verschijnen zelden op een infoavond. Wie hen wil bereiken, moet naar hen toe: aan de voordeur, op de stoep, aan de koffietafel in de straat.
Iemand uit de zaal vraagt aandacht voor rust en luwte, en Ruth beaamt dat het kleine ontmoeten altijd ook de mogelijkheid inhoudt om je terug te trekken. Het dorp heeft pleinen nodig die uitnodigen om samen te komen, maar ook hoekjes waar je alleen tot rust kunt komen.
Tot slot
De vaststelling dat het dorp voor 70 procent van de respondenten vooral een sociale structuur is, had kunnen klinken als een vrijbrief om de ruimte als bijzaak te behandelen. De dag toont het omgekeerde. Net omdat het fysieke dorp voor veel bewoners geen vanzelfsprekend houvast meer biedt, ligt er een opdracht voor ontwerpers en besturen: het dorp een eigentijds beeld geven, met plaats voor ontmoeting, voor onbekendheid en voor rust.
Dat lukt niemand alleen. Tine Hens stelt op het einde vast dat er in de zaal zelf een kleine community in heterogeniteit is ontstaan, van antropologen, ontwerpers, beleidsmakers, sociaal werkers en bewoners. Samenwerking is essentieel, zegt ze, net als “dat we elkaar ook erkennen in waar de ander sterk in is en soms wat nederig zijn over de eigen positie”.
Edith Wouters kijkt vooruit. De studiedag is de eerste activiteit van het Dorpelijkheidsfestival, dat nog tot 30 december loopt. AR-TUR werkt intussen aan een nieuwe toolbox rond dorpse woonlandschappen, die in mei 2027 wordt voorgesteld in een school in Kessel. Het gesprek gaat dus verder.
En de architectuurstudenten die weer op hun bus stapten? Hun groene oase zonder leven blijft als waarschuwing in de zaal hangen. Het leven van een dorp zit in de paadjes tussen de huizen, in de bank aan de voordeur, in het koffiemoment op de hoek van de straat en in de mensen die elkaar nog niet kennen. Wie een dorp wil ontwerpen, moet eerst leren kijken met nieuwe ogen.






