Verslag | Summerschool Dorpse Woonlandschappen in Wortel

Eind september trokken we met de summerschool Dorpse Woonlandschappen naar Wortel. Een week lang onderzochten we hoe wonen, landschap en gemeenschap zich tot elkaar verhouden.

De Oude Weg vormde ons vertrekpunt: een eenvoudige dorpsstraat, gegroeid uit generaties zorg en nabijheid. Wat begon als een familie-erf, bleek een landschap vol lagen, verhalen en relaties tussen mens, water, plant en bodem. Door te wandelen, te luisteren, te tekenen en ontwerpend onderzoek ontdekten we hoe de Oude Weg en het dorp zichzelf voortdurend hervormen. Maarten Henckens - een van de deelnemers - neemt ons in dit verslag mee doorheen deze ontwerpweek.

Tekst: Maarten Henckens
Leestijd: 25 min
Foto's: Leen Leblans Fotografie (21 en 23 september) en Marieke De Vos Photography (26 september)

Dag 1 – Zondag 21 september: Verkenning van de Oude Weg

Vroeg in de ochtend verzamelen we aan de parochiezaal van Wortel. Kronkelende wegen door de velden brengen ons naar de kern van het dorp, waar Bo, Edith, Ellen en Ward van AR-TUR en KU Leuven klaarstaan om ons te ontvangen. Iedereen druppelt binnen, nog wat onwennig, maar met nieuwsgierigheid in de blik. De eerste dag is er één van verkennen en luisteren. De week wordt ingeluid en we stellen ons als deelnemers voor met de vraag: Hoe kwam jij al in aanraking met Dorpse Woonlandschappen? De antwoorden lopen uiteen, maar één ding wordt duidelijk: iedereen komt uit een dorp.

Foto's AR-TUR

Na het welkomstmoment en de presentaties trekken we het veld in voor een eerste verkenning van de Oude Weg en haar omgeving. We wandelen samen met Dirk, Drej en Madeleine, die als gids optreden. Niet rechtlijnig langs de betonbaan, maar kriskras door tuinen, binnenwegjes en smalle paadjes, routes die enkel de bewoners kennen. De straat kondigt zich aan met twee grote lindebomen, ooit door de familie zelf geplant. Onderweg passeren we een bonte mix van woningen: jaren ’70-bungalows, huizen in modernistische stijl en de oude boerderij waar het allemaal begon, het ouderlijk huis waarrond de familie zich generaties geleden vestigde. Dat huis vormt het symbolische hart van deze straat, en wordt dat ook van ons onderzoek.

Naast het ouderlijk huis ligt een gerooid stuk grond: bouwrijp gemaakt, leeg, omringd door een haag. Het mist iets, het is kaal. Het contrast tussen deze grond, klaargemaakt voor de toekomst, en de rest van de straat is groot. Een gesprek komt op gang. Tegelijkertijd groet iemand ons vanop afstand; noten vallen uit de bomen, peren liggen op het pad, appels wachten op het bankje tot iemand ze meeneemt. Verder met de wandeling.

In de tuin van Dirk leren we het verhaal van het water kennen: een perceelsoverschrijdend zelf aangebracht systeem van grachten, wadi’s en vijvers, aangelegd om het natte terrein leefbaar te maken. We volgen het pad van het water van perceel tot perceel, tot we aankomen bij de vijver van Tiny, onder de schaduw van een majestueuze treurwilg. Daar lijkt het landschap zelf even te ademen.

We wandelen verder, langs kavel zesentwintig met zijn driewoonst. Hier maakt het glooiende landschap plaats voor een piekfijn aangelegde voortuin, een betonnen inrit, kiezels, een olijfboom, en we fluisteren over hoe deze nieuwe manier van aanplanting de ruimte opslokt. Verderop opent zich opnieuw het zicht: velden, lucht, de vallei van de Mark. De schoonheid van het ongebouwde contrasteert met de bebouwde rand, en precies daartussen bevindt zich de Oude Weg, balancerend tussen twee werelden.

’s Avonds verzamelen we in De Guld, het dorpscafé waar we nog vaak zullen terugkeren. Met een glas in de hand praten we na over onze eerste indrukken van de straat, verkaveling en over de kracht van familie zijn.

Avondlezing Jolein Bergers - Breekijzer vzw

Jolein neemt ons mee naar de Friche Josaphat in Brussel: een vergeten zone, ooit bijna ten prooi aan projectontwikkeling, maar gered door haar bewoners: insecten en planten. Vanuit deze casus bevraagt ze hoe ontwerppraktijken kunnen inspelen op de complexe relaties tussen mens, dier en plant, en hoe ecologische en emotionele waarden een plaats kunnen krijgen binnen ruimtelijke planning.

In plaats van enkel te vertrekken vanuit menselijke noden of beleidsplannen, stelt Jolein voor om veldwerk te doen met de laarzen aan: letterlijk de natuur in te trekken en kennis op te bouwen samen met bewoners, actiegroepen en andere soorten. Ze introduceert een methode van moving in, along and out: meebewegen met lokale verenigingen, luisteren naar verhalen, over vogels, bijen of planten, en deze perspectieven vertalen naar het ontwerpdiscours. Zo krijgen niet-menselijke bewoners, zoals wilde bijen, een stem in hoe we stedelijke, maar ook niet-stedelijke, natuur begrijpen en vormgeven.

Ze benadrukt dat kennis niet enkel ontstaat in kaarten of rapporten, maar ook in manifesten, podcasts of wandelroutes die bijdragen aan een breder bewustzijn over meer-dan-menselijke stadsnatuur. Ze nodigt ons als observatoren en ontwerpers uit om natuur niet langer als decor of onderlegger te zien, maar als actieve medespeler in het ontwerpen van een leefbare stad, voor mens én meer-dan-menselijke soorten.

De gesprekken doven langzaam uit, glazen worden leeggedronken, stoelen schuiven achteruit. De familie neemt ons mee naar hun huizen, onze slaapplaatsen voor de week. Moe maar voldaan. Morgen begint het echte werk.

Dag 2 – Maandag 22 september: Analyse van het dorp en de Oude Weg

De ochtend breekt aan, het is fris. We staan op met kleine ogen na de eerste nacht bij onze gastgezinnen. Aan het ontbijt in de parochiezaal klinken de eerste verhalen: het was koud, enkel glas hé, maar ook gezellig. Er wordt gelachen over kersenpitjes die werden uitgedeeld, over praatjes die werden geslagen, over de warmte van gastvrijheid.

Na het ontbijt schuiven we onze stoelen aan de grote tafels in de parochiezaal. De muren zijn nog kaal, de koffie pruttelt, maar het gesprek komt snel op gang. Ellen nodigt ons uit om de straat opnieuw te bekijken, niet als een reeks woningen, maar als een levend systeem. Op de muur groeit een lappendeken van schetsen, notities, indrukken. Er wordt geluisterd, getekend, gelachen.

We krijgen de opdracht om de Oude Weg te analyseren vanuit vier thema’s: bodem, biodiversiteit, bouwen en bedekken, en op twee schalen: Landschap + Dorp en Oude Weg + Tuin. Met deze matrix in gedachten verdelen we ons over de ruimte. Iedereen kiest intuïtief een vak dat aanspreekt. Sommigen trekken het veld in met stevig schoeisel en schetsboek, anderen buigen zich over luchtfoto’s en oude kaarten. Het voelt als het openen van een nieuw gesprek met het dorp.

Foto: AR-TUR
Foto's: Maarten Henckens
Foto: Maarten Henckens

Avondlezing Carmen Van Maercke - Fallow

Na een dag hard werken en eten volgt de lezing van Carmen Van Maercke van Fallow. Ze zoomt in op Operatie Landschap, een ontwerpend onderzoek binnen de EO Wijers-prijsvraag, waarin een gezamenlijke aanpak voor het scheppen van het landschap centraal staat, van onderuit:

Als casus bespreekt Carmen de Achterhoek, een regio met een krimpende bevolking en overwegend privaat grondbezit, waar ze onderzoek doen naar hoe bestaande lokale initiatieven en niches kunnen bijdragen aan een nieuw, veerkrachtig gebiedsmodel. In plaats van opnieuw grote masterplannen of gebiedsvisies te ontwikkelen, richt Fallow zich op manieren om deze plannen te vertalen naar de praktijk en te verbinden met het draagvlak van kleinere, lokale initiatieven.

Foto's: AR-TUR

Een concreet voorbeeld is het project in Steenderen, waar bewoners nadenken over alternatieven voor grootschalige zonnevelden op opgekochte landbouwgronden door rijke investeerders, de zogenoemde ‘boeronnen’. Fallow helpt hen mee in de zoektocht naar mogelijkheden om het landschap vorm te geven als een gedeeld landgoed, waarin lokale betrokkenheid centraal staat.

Met dit onderzoek benadrukt Carmen het belang van veldwerk: met de laarzen aan het landschap intrekken, met bewoners in gesprek gaan en de context ter plaatse begrijpen. Ze nodigt ons uit om op een participatieve manier te ontwerpen, te luisteren, te observeren en samen met de bewoners van de Oude Weg en Wortel betekenis te geven aan de plek. Vanuit die houding spoort ze aan om onze casus niet enkel als ontwerpopgave te zien, maar als levend landschap dat in dialoog met zijn bewoners tot stand komt.

Dag 3 – Dinsdag 23 september: Vertalen en verbeelden

De derde dag vormt de brug tussen analyse en verbeelding. We verfijnen onze kaarten en doorsnedes, en proberen de verzamelde observaties te vertalen naar verhalen en perspectieven. Samen met Ward werken we aan onze storytelling: hoe kunnen we onze ruimtelijke analyses leesbaar en ervaarbaar maken voor mensen die onze taal niet per se spreken?

Foto: AR-TUR

’s Avonds volgt de presentatie voor de bewoners, waarin we hen willen meenemen in onze bevindingen. De verhalen van Fleur op pad, de analyses van de vier thema’s, vormen het gespreksonderwerp. We beginnen aan onze uitleg.

Op de schaal van Landschap + Dorp maakten we twee kaarten. De eerste vertelt het verhaal van Wortel door de tijd heen. We tekenden hoe het dorp ontstond rond de kerk, hoe de linten zich vorige eeuw vertakten in het landschap, hoe een deel van de vallei van het Merkske langzaam werd drooggelegd en bebouwd. We zien hoe de Oude Weg precies op de overgang ligt tussen hoog en laag, tussen droge zandgronden en drassige valleibodems, gescheiden door de steenweg. Die ligging verklaart veel: waarom de lucht hier vochtiger voelt, waarom de straat aanvoelt als een rand en tegelijk als een schakel tussen dorp en veld. De kaart maakt zichtbaar hoe Wortel geen losstaande plek is, maar deel van een groter geheel: een geschiedenis, een netwerk van bodem, water en groen.

Wortel doorheen de tijd - analyse

De tweede kaart, Fleur op pad, vertelt hetzelfde landschap vanuit een ander perspectief. We volgen het pad van het kind Fleur en dat van de knoflookpad: twee kwetsbare bewoners van dezelfde plek. Ze geven ons een meer-dan-menselijk perspectief op Wortel en de Oude Weg. Door hun ogen wordt het dorp een andere wereld:

De knoflookpad, ooit verdwenen maar nu teruggekeerd in de Kolonie, leert ons kijken naar wat hij nodig heeft: vochtige plekken, beschutting, doorgangen tussen water en land. Omdat de pad zowel water- als landhabitat nodig heeft, vormt hij een interessante gids om de samenhang tussen landbouwgronden, natte gebieden en bebouwde zones te begrijpen, net de plek waar de Oude Weg zich bevindt. Door te onderzoeken of hij vandaag opnieuw een geschikte leefomgeving zou kunnen vinden in Wortel, worden ruimtelijke barrières en ecologische kansen zichtbaar: inzichten die leiden tot ontwerpbeslissingen die niet enkel de knoflookpad, voor ons een paraplusoort, maar ook andere diersoorten, mensen en kinderen ten goede komen.

Het perspectief van Fleur, dat ons de bril opzet van een kind, laat ons dan weer voelen waar ruimte open of onveilig is. Het stelt vragen over toegankelijkheid, veiligheid en spel in de publieke ruimte. De Oude Weg, afgelegen van het drukke verkeer, met haar gevarieerde aanplanting en onregelmatige structuur, nodigt spontaan uit tot ontdekking en spel, terwijl het aangelegde grasveld in een nieuwe woonwijk in het dorpscentrum, hoewel bedoeld voor kinderen, weinig uitdaging biedt en zelden wordt gebruikt. Samen tonen deze perspectieven hoe zorg voor het kleine, menselijk of niet-menselijk, kan leiden tot een duurzamer en zachter woonlandschap.

We zoomen verder in.

Fleur op pad - analyse

De Oude Weg als levend systeem

Op de schaal van de Oude Weg en haar tuinen analyseerden we de straat vanuit vier thema’s: bodem, biodiversiteit, bouwen en bedekken, om hun onderlinge kwaliteiten en relaties in de diepte te begrijpen.

De bodem vormde daarbij het eerste essentiële uitgangspunt. We maakten kaarten waarop de natuurlijke ondergrond en de sporen van menselijke ingrepen samenvallen. Zo ontdekten we hoe de Oude Weg van oudsher een grens markeerde tussen landbouwgronden en natte vallei: tussen bewerkt veld en woeste plantengroei. Met de aanleg van de kaarsrechte steenweg richting Hoogstraten veranderde dat evenwicht. De natuurlijke overgang werd doorgesneden; het water vond geen weg meer, en het land werd langzaam drassig. Wat ooit een vloeiende overgang was, werd een harde scheiding. De bewoners grepen in. Ze groeven grachten en legden vijvers aan, niet om het water weg te jagen, maar om het vast te houden, op welgekozen plekken. Doorheen de tijd groeide hun ingreep uit tot een fijnmazig, perceelsoverschrijdend watersysteem van greppels, wadi’s en sloten dat regenwater opvangt, vertraagt en laat infiltreren in plaats van het snel af te voeren. Zo ontstond een levend netwerk dat vandaag een nieuw evenwicht vormt tussen bebouwing en landschap: een systeem dat niet ontworpen werd op papier, maar gegroeid is uit ervaring, zorg en noodzaak.

De biodiversiteit vertelt een even gelaagd verhaal. Ooit fungeerde de Oude Weg als scheidingslijn tussen twee contrasterende landschappen: ten noorden de open landbouwgronden, ten zuiden de wilde begroeiing van de vallei van het Merkske. Met de komst van de steenweg richting Hoogstraten werd dat evenwicht verstoord, grote delen van de oorspronkelijke begroeiing verdwenen, het landschap verarmde en werd herleid tot vlakke graszones. Toch ontwikkelde zich langs de Oude Weg een nieuw rijk en divers groen weefsel, spontaan ontstaan doorheen de jaren, gedragen door de bewoners zelf. Tekeningen tonen ons de landmarks van de Oude Weg: twee oude lindes markeren het begin van de straat, hagen en fruitbomen wisselen elkaar af langs de erven. Verderop ligt de moestuin en haar bankje, als een centraal ontmoetingspunt voor mensen, maar ook voor appels en peren, terwijl de honderdjarige haag naast de boerderij, die inmiddels is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed, de geschiedenis van de afscheiding van het perceel tastbaar maakt. Wat ooit de scheidingslijn was tussen open akker en vallei, is nu een ecologisch weefsel dat door bewoners zelf werd opgebouwd. Elke boom, elke struik heeft een geschiedenis. De treurwilg van Tiny, de perenboom van Sus, de honderdjarige haag op Livies erf: ze vormen een levende erfkaart.

De bebouwing langs de Oude Weg lijkt misschien op het eerste gezicht los van elkaar te staan, maar ze vormt een samenhangend geheel. De oude boerderij vormt het hart van dit weefsel, het vertrekpunt van waaruit nieuwe woningen zich door de tijd heen langs de straat hebben neergezet. Elk huis draagt de sporen van een generatie, van een moment waarop iemand besloot te blijven, te bouwen, aan te vullen. Zo groeide de straat niet uit een plan, de bebouwing volgt geen strakke rooilijn; ze wijkt uit, schuift op, laat ruimte, het is een plan ontstaan uit nabijheid. De voor- en achtertuinen lopen in elkaar over, de grenzen zijn poreus. Waar het erf vroeger de plek was waar familie en werk samenkwamen, begon het samenleven zich af te spelen rondom de straat. Het gemeenschappelijke blijft tot op de dag van vandaag voelbaar: het ritme van de gevels, de doorzichten tussen de huizen, de open plekken waar iemand even stopt, een praatje maakt of gereedschap leent. Bouwen verschijnt hier niet als een architectonisch gebaar, maar als een vorm van samenleven: een langzaam gegroeide relatie tussen huis, erf en landschap.

Wie over de Oude Weg wandelt, merkt dat de grond niet overal hetzelfde voelt. Het pad wisselt van verharding, van kiezel naar aarde, van beton naar gras. Er is geen eenduidige lijn, maar een mozaïek van oppervlaktes. Sommige stukken werden ooit verhard voor verkeer, andere door de hand samengesteld, met wat voorhanden was. Op sommige plekken stroomt het water traag over het erf, elders zakt het geruisloos de bodem in. Bedekking betekent hier niet het afsluiten van de aarde, maar juist het openhouden ervan. De bewoners lijken dat intuïtief te begrijpen: ze laten de randen ademen, houden ruimte voor spontane groei, voor water, voor planten en bomen. De verhalen van de familie Fransen tonen hoe subtiel die toe-eigening is. Bomen, hagen, zitbankjes, een moestuin, een erf dat openstaat of juist beschut is. Elke ingreep is een gebaar, een vorm van positioneren. Zo wordt de straat geen technische infrastructuur, maar een levende huid die voortdurend verandert. Wat verhard is, blijft tijdelijk; wat zacht is, krijgt tijd om te wortelen. In dat spel tussen mens en bodem, tussen gebruik en herstel, toont de Oude Weg hoe ook de dunste laag, die van het oppervlak, een drager kan zijn van herinnering, verhalen en zorg.


Lode, die al zijn hele leven aan de Oude Weg woont, start het gesprek:

“Ik wist niet dat mijn straat zo belangrijk was.”

De bewoners herkenden veel van wat we toonden, maar voegden ook eigen inzichten toe, en durfden vragen te stellen. “Het is allemaal waar wat jullie zeggen,” zei iemand, “maar we kunnen toch niemand opleggen om een tuin aan te leggen zoals wij dat doen, onze waarden en normen over te nemen?”

Een gesprek ontstaat. Want waarom eigenlijk niet? We sommen op wat wel wordt vastgelegd: kroonlijsthoogtes, rooilijnen, daktypes, allemaal strikt bepaald. Maar planten? Die zouden moeten verdwijnen om een terrein ‘bouwrijp’ te maken.

De eerste oefening binnen de summerschool bracht ons dichter bij de Oude Weg en haar omgeving. Door de weg te analyseren vanuit de lagen van bodem, biodiversiteit, bouwen en bedekken, leerden we hoe alles met elkaar verweven is: hoe water de bodem vormt, hoe planten een plek vonden, hoe mensen hun gronden inzetten op wat de grond toelaat. We ontdekten een landschap dat niet enkel bewoond wordt, maar mee leeft: een plek waarin menselijke en niet-menselijke processen elkaar voortdurend raken. De familie Fransen liet ons zien hoe zorg, aandacht en tijd letterlijk vorm geven aan ruimte: een haag geplant, een vijver gegraven, een pad gedeeld.

Toch toont de Oude Weg ook spanningen: tussen oud en nieuw, tussen het organisch gegroeide en het ontworpen, tussen collectieve plekken en afgebakende grenzen. We zagen hoe de spontane samenhang van vroeger niet vanzelfsprekend is in nieuwe verkavelingen, waar de ruimte planmatig vaak vooraf vastligt. Deze oefening maakte ons bewust van de waarde van het informele, van het onvoorspelbare dat ontstaat wanneer bewoners tijd en vrijheid krijgen om hun omgeving te vormen.

Voor ons vormt dit het vertrekpunt voor de volgende stap in het ontwerpend onderzoek: hoe kunnen we de dorpsomgevingen van morgen ontwerpen? Hoe kunnen bodem, planten en water opnieuw de structuurdragers worden van nieuwe woonlandschappen? En hoe kan zorg, voor onze omgeving, voor de natuur en voor elkaar, weer het uitgangspunt worden van samenleven?

Met deze vragen in het achterhoofd bereiden we ons voor op de volgende dagen, waarin denken langzaam overgaat in maken, en verkennen plaatsmaakt voor ontwerpen.

Dag 4 – Woensdag 24 september: Van analyse naar toekomst

Na de verkennende analyse van de voorbije dagen schakelen we vandaag een versnelling hoger. De Oude Weg is ons niet langer vreemd: we kennen haar patronen, haar ritme, haar bewoners. Nu willen we zien wat er kan groeien uit wat we leerden. In deze tweede oefening bouwen we voort op de inzichten van de vorige dagen. Waar de eerste oefening de bestaande kwaliteiten, spanningen en dynamieken van het dorp en de straat blootlegde, richt deze zich op het verbeelden van mogelijke toekomsten.

We vertrekken vanuit één centrale vraag: hoe kan de Oude Weg zich in de komende decennia ontwikkelen tot een plek die duurzaam en robuust naar de toekomst kijkt, waar ruimtelijke, ecologische en sociale waarden elkaar versterken?

Foto: Maarten Henckens

Ward en Ellen openen het gesprek. Om deze vraag te beantwoorden ontwikkelen we vier ruimtelijke scenario’s, elk met een eigen uitgangspunt, een eigen landschapstype. De oefening vraagt niet om eindbeelden, maar om tactieken: strategieën, handelingen en ingrepen, klein of groot, die nieuwe vormen van samenleven kunnen oproepen. We onderzoeken hoe collectieve, duurzame en sociaal gedragen woonvormen eruit kunnen zien, als alternatief voor de klassieke, marktgestuurde eensgezinsverkaveling.

We delen ons op in duo’s. Elk koppel werkt aan één scenario, maar de ondertoon blijft dezelfde: hoe kan de open ruimte opnieuw een actieve drager worden van het dorp van morgen?

De vier scenario’s verhouden zich tot elkaar. Sommigen vertrekken vanuit behoud: hoe kunnen we bestaande structuren versterken door zachte ingrepen, door samenwerking en gedeelde plekken te creëren? Anderen denken experimenteler: wat als we de percelen hertekenen, grenzen weghalen of de verkaveling als principe helemaal loslaten?

Foto: AR-TUR

’s Middags starten we. De eerste schetsen en tekeningen verschijnen. De sfeer is geconcentreerd, maar ook licht. Ideeën vloeien over van de ene tafel naar de andere. Steeds keren dezelfde motieven terug: het water, de tuin, de gedeelde ruimte. We schuiven stoelen bij elkaar, vergelijken beelden, lachen om gekke ideeën die plots betekenis krijgen. Wat aanvankelijk speculatief lijkt, wordt concreet zodra het op papier verschijnt.

De kaarten die ontstaan, zijn niet af, maar openen een gesprek. Ze tonen geen eindbeeld, maar een reeks denkbewegingen: mogelijke richtingen voor een dorp in wording. Elk scenario belicht een andere kant van de Oude Weg: de kracht van de bestaande gemeenschap, de waarde van het landschap, de potentie van een buurt die zichzelf opnieuw blijft uitvinden.

We beseffen dat toekomstdenken niet noodzakelijk betekent meer doen: meer bouwen, meer plannen, meer voorzien. Het betekent vooral zorg dragen voor wat er al is: verder bouwen op het bestaande, op het reeds aanwezige. De toekomst ligt niet enkel in nieuwe ingrepen, maar in het benadrukken en versterken van de relaties die er al zijn.

De oefening toont ons dat de toekomst van het dorp nooit eenduidig of lineair is. Ze bestaat uit vele kleine bewegingen: spontaan maar doordacht, individueel maar gedeeld. De Oude Weg blijkt een vruchtbare bodem om zulke denkbeelden te testen, een plek waar ruimte, gemeenschapsgevoel en zorg voor elkaar en de omgeving met elkaar in balans komen.

Avondlezing Els Van Meerbeek - Carton123 architecten

Na het eten verzamelen we voor de lezing van Els Van Meerbeek van architectenbureau Carton123. Ze opent haar presentatie met een video van de stad, waar op de achtergrond vogels fluiten: natuur en cultuur komen elkaar hier tegen, het is een zachte inleiding op haar verhaal over de relatie tussen wonen en tuin. Vanuit haar eigen praktijk in Brussel toont ze hoe de tuin geen restzone hoeft te zijn, maar een wezenlijk onderdeel van wonen zelf.

Ze presenteert vijf projecten waarin de grens tussen binnen en buiten telkens opnieuw wordt onderzocht: van een wilde bloementuin bij een verbouwing tot gedeelde binnentuinen in sociale woonprojecten. Een van haar meest sprekende voorbeelden is Korbeek Winners in Leuven: vier woningen op een breed perceel, gebouwd door één familie, verbonden door een overdekte buitenruimte die tegelijk toegang, speelplek en ontmoetingsruimte is. De achterliggende tuin is gedeeld, open, levend. Hier wordt samenleven letterlijk vormgegeven in het alledaagse gebruik van de ruimte.

Foto: AR-TUR

Els toont hoe de tuin een scharnier kan zijn tussen architectuur en gemeenschap, tussen mens en landschap. Haar woorden sluiten moeiteloos aan bij onze week in Wortel, bij alles wat we hebben gezien, besproken en getekend. Ze herinnert ons eraan dat samenleven begint in het kleine: in zorg, aandacht en gedeelde ruimte.

Er ontstaat een gesprek over hoe zulke samenwerkingen mogelijk zijn, over hoe tuinen groeien, over hoe ruimte kan worden gedeeld zonder haar te verliezen. Haar voorbeelden brengen een zachte nuchterheid binnen in onze verbeelding: dat verandering niet altijd groots hoeft te zijn, maar vaak begint met een open poort, een gedeelde bank, een blik over de haag.

’s Avonds drinken we samen nog een glas wijn. De kaarten en tekeningen blijven op tafel liggen. Er wordt nagepraat, gelachen, stil nagedacht. Morgen wacht de laatste werkdag, de dag waarop alles samenkomt.

We kruipen ons bed in.

Foto Maarten Henckens

Dag 5 – Donderdag 25 september: Afwerking

De ochtend begint vroeg. Vandaag is het werken geblazen: de laatste rechte lijn voor het presentatiemoment van morgen. Kaarten, schetsrollen en laptops verspreiden zich over het lokaal; overal wordt getekend, geknipt, nagedacht. De sfeer is gemoedelijk, maar doelgericht: we willen nog één keer alles uit onze ideeën halen.

Tussendoor trekken we in kleine groepjes de Oude Weg op, om bewoners te fotograferen en zo de mensen achter ons onderzoek een gezicht te geven. Het voelt bijzonder om opnieuw over de drempel te stappen van de huizen waar we eerder al welkom waren. We zien hoe iedereen leeft op zijn eigen ritme: sommigen in de tuin, anderen aan het werk, een enkeling komt aan op de fiets. Er wordt gesnuisterd in erven en interieurs, huizen die we nog niet van binnenuit kenden worden getoond, verhalen verteld, foto’s gemaakt. De diversiteit van de Oude Weg toont zich nu niet enkel in gebouwen of tuinen, maar ook in gezichten, leeftijden en gewoontes.

Even later belanden we in de Guld, waar een deel van de familie Fransen elke donderdag samenkomt. Binnen heerst een vertrouwde warmte: glazen rinkelen, er wordt gepraat, gelachen. Deze plek, zo eenvoudig en alledaags, belichaamt de sfeer en de gezelligheid van het dorp, de vanzelfsprekende verbondenheid met elkaar.

In de namiddag hervatten we het werk. De concentratie is voelbaar, maar af en toe waaien we uit naar buiten, de tuin van de parochiezaal in, om wat frisse lucht te happen of een idee te toetsen. Er wordt geravot, gefrisbeet, ideeën afgetoetst. De zon zakt langzaam, we praten, lachen, tekenen, en werken verder.

’s Avonds schuiven we voor een laatste keer onze voeten onder tafel. Kipsaté of hamburger, frieten, een pint. Buiten wordt er geschoten op de roos: een dorpssport die even gewoon als spannend lijkt. Wij kijken toe, en praten over wat al gedaan is en wat vanavond zeker nog moet gebeuren.

Later op de avond keren we terug naar de parochiezaal. De stilte van het dorp valt in, maar binnen branden nog de lampen. Er wordt hard doorgewerkt: lijnen worden verfijnd, teksten herschreven, kaarten ingekleurd. Een fles wijn wordt opengetrokken. Er wordt gelachen, gezucht, opgeruimd. Net na middernacht beginnen we stilaan in te pakken. Buiten is het donker en stil. We trekken de deur van de parochiezaal achter ons dicht en keren terug naar onze logeeradressen, voor een laatste nacht bij de families van de Oude Weg.

Foto: Maarten Henckens
Foto's: Maarten Henckens

Dag 6 – Vrijdag 26 september: De oogst van de Oude Weg

Kleine oogjes, het is zacht en helder. Het is de laatste dag.

In de parochiezaal van Wortel vult de geur van koffie voor de laatste keer de ruimte. Nog één keer wordt er intens gewerkt. De stilte is geconcentreerd, maar niet gespannen, er hangt een rustige vastberadenheid in de lucht. Iedereen weet wat hem te doen staat: de laatste tekeningen afwerken, teksten herzien, foto’s selecteren. Buiten wordt het dorp langzaam wakker. Binnen gonst het van activiteit.

Tegen de middag begint de transformatie: de zaal wordt klaargemaakt voor de tentoonstelling. Kaarten worden opgehangen, de scenario’s verdeeld over de ruimte, maquettes zorgvuldig neergezet. De bank van de Oude Weg krijgt een plaats aan de inkom, als uitnodiging om tijd te nemen, even te zitten, te kijken, te luisteren. De ruimte waarin we de hele week gewerkt hebben, verandert langzaam van werkplaats in tentoonstellingszaal.

Wat begon als losse observaties, gesprekken en schetsen, ligt er nu in volle samenhang: geen eindbeeld, maar een verzameling denksporen. Aan de voet van de foto van Wortel in de jaren zeventig, ook toen een dorp in volle ontwikkeling, krijgt ons werk zijn context. Verleden en toekomst ontmoeten elkaar in dezelfde ruimte.

Om vier uur komen de eerste bezoekers binnen: bewoners, familieleden, schepenen, architecten, studenten, nieuwsgierigen. Kinderen rennen tussen de tafels door, ouderen nemen rustig plaats. Er wordt gegroet, gelachen, handen worden geschud. De parochiezaal vult zich met stemmen, met bekende en onbekende gezichten, en vooral met nieuwsgierigheid.

Ward opent met een woord van welkom. Hij vertelt over het ontstaan van het project: de uitnodiging van de familie Fransen, het partnerschap tussen AR-TUR en KU Leuven, en de bedoeling om niet enkel te tekenen, maar om samen te denken. Hij blikt terug op de voorbije dagen van wandelen, luisteren, tekenen, twijfelen. Daarna nemen wij het over. De bezoekers verdelen zich in kleinere groepen; elk van ons vertelt, één voor één, scenario na scenario, over de toekomstbeelden die gedurende de week ontstonden. De Oude Weg wordt opnieuw gelezen: niet als één verhaal, maar als vier mogelijke toekomsten, vier manieren om te blijven wonen, zorgen, samenleven.

Vier manieren om vooruit te kijken

De kaarten die we tonen, zijn niet af. Ze vormen geen masterplan, maar een gesprek. Ze tonen vier mogelijke toekomsten, vier manieren om te kijken naar dezelfde straat, hetzelfde landschap, dezelfde gemeenschap. Ze nodigen uit om een debat op te zetten, een gesprek te voeren, vragen te stellen.

Scenario 1 – Groe¡

(=woningen, + groen en water, = auto’s, =collectiviteit)

Het eerste scenario, Groe¡, vertrekt vanuit wat er al is. Geen radicale breuk, maar een zorgvuldig verder bouwen op het bestaande. In plaats van nieuwe structuren of woonvormen te introduceren, laat dit scenario zien hoe de kracht van de Oude Weg juist schuilt in haar vanzelfsprekendheid: in de nabijheid tussen buren, de informele overgangen tussen erven, het ritme van huizen die op het eerste gezicht onopvallend lijken, maar samen een harmonieus geheel vormen. De centrale vraag is of deze kwaliteiten ook kunnen blijven bestaan wanneer de familierelaties vervagen. Kan de samenhang standhouden als persoonlijke banden langzaam verdwijnen?

Er wordt gewerkt met de bestaande woningen, die fungeren als dragers voor een voorzichtige, geleidelijke evolutie, waarbij aanpassing mogelijk is zonder verlies van identiteit. De kaarten laten zien hoe de huizen, elk met hun eigen oriëntatie en karakter, zich kunnen voegen naar een nieuwe tijd zonder hun ziel te verliezen.

Een doorlopend watersysteem, ooit begonnen als twee kleine grachten, wordt uitgebreid tot een collectieve ruggengraat die de hele straat en haar woningen samenbindt. Kleine individuele toevoegingen maken een groot verschil voor het geheel: een nieuwe vijver, een gedeeld pad, een open haag in plaats van een hek. Deze landschappelijke verbinding vormt een zachte structuur die sociale continuïteit ondersteunt.

De 3D-scans vertellen het verhaal van Lea, Lode en Tiny: hoe hun erven, als schakels in een ketting, laten zien dat identiteit niet in vorm zit, maar in verbondenheid. De dubbele oriëntatie van een woning zorgt voor licht en doorzichten; een gemeenschappelijke muur biedt privacy en geborgenheid; een zijdelings gelegen tuin geeft een erf zijn unieke karakter. Samen vertellen deze plekken elk hun eigen verhaal, even bijzonder als alledaags, en zijn ze toch met elkaar verweven, gedragen over de verschillende percelen heen.

Toch blijft de samenhang kwetsbaar: één ingreep, één verandering in eigendom, kan het evenwicht doen kantelen. Groe¡ stelt zo de vraag hoe continuïteit kan bestaan zonder stil te vallen: hoe we kunnen groeien zonder te breken.

Scenario 2 – Kavelkamer

(++mensen, + groen, = auto’s, +collectiviteit)

Het tweede scenario, Kavelkamer, vertrekt vanuit een verplaatsingstraditie die altijd heeft bestaan op de boerderij aan de Oude Weg. Wat begon als één erf waar grootouders, kinderen en kleinkinderen samenleefden, groeide uit tot een netwerk van woningen en erven die elkaar aanvullen en ondersteunen rondom een enkele weg. De stamboom van de familie weerspiegelt zich letterlijk in de ruimtelijke structuur: wie trouwde, bouwde ernaast.

Kavelkamer bekijkt de Oude Weg als één groot huis: een geheel van kamers waarin bewoners zich door hun leven bewegen. De voortdurende beweging van vertrekken, terugkeren en doorgeven vormt de essentie van de Oude Weg en maakt de straat tot een levend geheel dat voortdurend evolueert.

De kaarten laten zien hoe bestaande structuren ruimte kunnen bieden aan nieuwe generaties. De eengezinswoningen behouden hun functie; waar een woning vrijkomt, kan een zorgunit ontstaan; waar percelen samensmelten, kunnen nieuwe woonvormen opduiken: kleine woningen voor seizoensarbeiders, compacte appartementen in het groen, of gedeelde voorzieningen. De boerderij, ooit het beginpunt van de familiegeschiedenis, wordt opnieuw het kloppend hart. Rondom groeit een kleinschalige cohousingstructuur, met functies zoals een werkplaats, een gemeenschappelijke tuin en een eetruimte, het wordt een huiskamer voor de straat.

De kracht van dit scenario ligt in zijn vanzelfsprekendheid. Mensen blijven waar ze zijn, maar verhuizen door hun leven van kamer naar kamer, van woning naar woning. De Oude Weg wordt zo een huis dat meegroeit met zijn bewoners: flexibel, veerkrachtig en vol wederkerigheid.

Kavelkamer roept vragen op die verder reiken dan de tekentafel. Hoe organiseren we zulke zachte overgangen tussen generaties? Hoe vertalen we nabijheid naar regelgeving, eigendom en ruimtelijk beleid? Het zijn vragen die nazinderen in de zaal: over hoe een dorp zorg kan dragen voor zijn bewoners, en zijn bewoners voor elkaar.

Scenario 3 – Wij-Land

(++ groen en water, +++ collectiviteit, -- auto’s)

Het derde scenario, Wij-Land, verbeeldt een radicaler perspectief: wat als afzonderlijke kavels plaatsmaken voor één groot gedeeld landschap? In dit scenario vervagen de harde lijnen tussen erven en wordt de straat hertekend tot een collectieve tuin: een samenhangend ecosysteem waarin mens en natuur met elkaar verweven zijn. Wij-Land stelt niet het individu, maar de gemeenschap centraal.

Bewoners verenigen zich in een coöperatief model: iedereen behoudt zijn eigen woning, maar deelt verantwoordelijkheid voor de gemeenschappelijke ruimte. De oude boerderij krijgt een nieuwe betekenis: niet langer enkel een familiehuis, maar een gemeenschapsgebouw met een keuken, werkplaatsen, logeerkamers en een polyvalente ruimte voor feesten, vergaderingen en dorpsdiners.

Rondom de woningen strekt zich één grote tuin uit: volledig gemeenschappelijk, maar met ruimte voor persoonlijke plekken: een bankje onder een boom, een stukje bloemenweide, een kleine moestuin. Op de kaarten slingert een pad door het landschap dat bewoners verbindt met speelplekken, waterzones en gedeelde functies. Het ontwerp nodigt uit tot spontane ontmoeting: een korte groet, een gesprek over de haag, een kind dat spelend contact maakt met de buren. Het zijn de kleine rituelen die de gemeenschap levend houden.

Hier is zorg niet iets dat wordt georganiseerd, maar iets dat groeit tussen mensen. Tuinen worden gedeeld, water opgevangen, voedsel geteeld. De ruimte ademt solidariteit. De tuin zelf is geen ontworpen park, maar een levend organisme: wild, gelaagd en vol biodiversiteit. Bomen, vijvers en hagen vormen zachte overgangen tussen de woonplekken; vogels nestelen in de randen van erven; kinderen spelen in het gras. Het landschap is productief, maar ook rustgevend: een plek om samen te werken, samen te komen en samen te leven, om samen te zijn.

Wij-Land roept vragen op over eigendom en vrijheid. Hoeveel zijn we bereid te delen? Hoeveel gemeenschappelijkheid kan ontstaan zonder dat het opgelegd wordt? Het scenario tast de grenzen van collectiviteit af: het toont de schoonheid van samenleven, maar ook de kwetsbaarheid ervan. Niet iedereen hoeft dezelfde tuin te willen, maar het gesprek erover brengt mensen dichter bij elkaar.

In de zaal wordt aandachtig geluisterd. Sommigen glimlachen, anderen fronsen, maar in de verbeelding van Wij-Land herkennen velen een verlangen dat dieper gaat dan plannen of bouwen: het verlangen naar verbondenheid, naar een dorp dat leeft als één systeem, waarin mens, landschap en gemeenschap voortdurend met elkaar in wisselwerking staan.

Scenario 4 – Waterschap, Nalatenschap

(+++++ fauna, +++ groen en water, --- mensen, -- bebouwing)

Het vierde scenario, Waterschap, Nalatenschap, kijkt nog verder vooruit: een toekomst waarin de Oude Weg opnieuw opgaat in het landschap dat haar ooit vormde. Vooruitdenken betekent soms ook durven loslaten: ruimte geven aan water, natuur en traagheid, een dorp dat langzaam terug samensmelt met de omliggende vallei.

Het is een uitdovingsscenario, maar geen einde. Waar de steenweg uit de jaren zeventig nieuwe bebouwing en schaarse groenvlaktes achterliet, zien we vandaag hoe bewoners het evenwicht stukje bij beetje hebben hersteld. Door de spontane maar doordachte aanleg van wadi’s, poelen en groenzones die perceelsgrenzen overschrijden, ontstaat een continu netwerk waarin water en natuur opnieuw samenkomen.

De Oude Weg functioneert vandaag vooral op schaal van de familie, maar dit scenario opent het perspectief naar de hele gemeenschap. Door het opschalen van groene en sociale structuren kan de Oude Weg uitgroeien tot een ecologische ruggengraat voor Wortel: een plek waar water, mens en natuur opnieuw in balans leven. Het huidige watersysteem ontwikkelt zich verder tot een fijnmazig netwerk van natte zones, teruggegeven aan de vallei, terwijl planten en bomen doorgroeien en het landschap haar natuurlijke adem terugkrijgt.

Machtige bomen krijgen meer ruimte, nieuwe exemplaren rijzen uit tot reuzen, en bebouwing maakt plaats voor een parkachtig landschap met vlonderpaden en een plukbos. Sommige woningen worden door de natuur overgenomen, andere blijven tastbare getuigen, overgroeid door vegetatie, terwijl de treurwilg als zacht baken aanwezig blijft. De boerderij wordt opnieuw een plek van samenkomst voor buurtactiviteiten, en de moestuinen groeien uit tot een productief landschap waarin voedselproductie, ecologie en ontmoeting samengaan. Menselijke activiteit blijft aanwezig, maar verweven met de natuur, zacht en geïntegreerd.

Waterschap, Nalatenschap roept vragen op over eigendom en verantwoordelijkheid. Hoeveel ruimte durven we teruggeven aan de natuur zonder het menselijke leven te verdringen? Kunnen we bouwen met het besef dat elk spoor dat we nalaten deel blijft van een groter, niet-menselijk, levend systeem? Het scenario toont dat toekomstdenken niet enkel gaat over plannen of bouwen, maar ook over loslaten, aandachtig koesteren en leren van het landschap. Het nodigt uit om te durven dromen van een plek waarin mens en natuur opnieuw één worden.

Een dorp in gesprek

Na de presentatie blijven de bezoekers hangen. Er wordt gepraat, gelachen, maar ook nagedacht. Oudere bewoners vertellen verhalen over vroeger, beleidsmakers stellen vragen over hoe ideeën vertaald kunnen worden naar plannen. Wat begon als een oefening, is uitgegroeid tot een gesprek dat blijft nazinderen: over wonen, delen, veranderen, en blijven.

De week aan de Oude Weg maakte duidelijk hoe kwetsbaar en tegelijk veerkrachtig een plek kan zijn. De kracht van dit stukje Wortel schuilt niet in grote gebaren, maar in de zorg waarmee mensen er leven: in de gedeelde opritten, de open tuinen, de gesprekken over de haag, de vanzelfsprekendheid van nabijheid.

Wanneer we terugdenken aan het begin van de week, aan die eerste ochtendwandeling langs de lindebomen die de straat inleiden, aan de noten die uit de bomen vielen en de peren die lagen te wachten op het bankje, begrijpen we pas echt wat deze plek zo bijzonder maakt. Het zijn de kleine gebaren van zorg en toe-eigening die haar identiteit vormen, het zelf aangelegde watersysteem, de vijver onder de treurwilg, de tuinen die stilletjes in elkaar overlopen. Wat toen een eerste observatie was, is nu een overtuiging geworden: dat de toekomst van zulke plekken schuilt in het alledaagse, in de zachte kracht van het bestaande.

De vier scenario’s, Groe¡, Kavelkamer, Wij-Land en Waterschap, Nalatenschap, tonen elk een ander pad, maar delen eenzelfde overtuiging: dat de toekomst van dorps wonen niet ligt in schaalvergroting of verharding, maar in het koesteren van wat er al is. Ze maken zichtbaar dat duurzame verandering vaak begint bij het langzaam verder bouwen, bij het durven verbeelden van alternatieven die niet afbreken, maar verbinden.

De toekomst van de Oude Weg ligt niet in één richting, maar in de mogelijkheid om te bewegen tussen verschillende vormen van collectiviteit, wonen en natuur. Samen versterken de scenario’s elkaar en tonen ze dat ontwikkeling niet noodzakelijk voortkomt uit grootschalige transformatie, maar vaak groeit uit aandacht, tijd en vertrouwen.

Misschien is dat wel de grootste nalatenschap van deze week: het besef dat alles wat we doen, het aanplanten van een boom, het gesprek over de haag, het plaatsen van een bankje, betekenis heeft. Elk klein gebaar draagt bij aan een groter geheel, aan een toekomst die we samen vormgeven. De Oude Weg is daarmee meer dan een onderzoek. Ze is een spiegel voor vele dorpslandschappen in Vlaanderen: plekken waar generaties elkaar opvolgen, waar open ruimte en wonen voortdurend in balans worden gehouden, en waar verbeelding het verschil kan maken tussen stilstand en toekomst.

De summerschool is zo geen eindpunt, maar een uitnodiging om verder te denken, te bouwen, te zorgen. Ze nodigt uit om als bewoners, ontwerpers en beleidsmakers samen richting te geven aan een gedeelde, veerkrachtige toekomst: voor de Oude Weg, maar evengoed voor alle andere dorpse woonlandschappen die Vlaanderen rijk is.

Wanneer de laatste bezoekers vertrekken, keert langzaam de stilte terug in de parochiezaal. We ruimen samen op: kaarten worden voorzichtig van de muren gehaald, stoelen teruggezet, restjes wijn weggegoten. We vertrekken terug richting thuis, richting Brussel, Gent en Antwerpen, samen, in elkaars auto’s, nog napratend over de week, over wat blijft hangen, over wat we meenemen. De gedachte aan de Oude Weg blijft nog even nazinderen: een plek die we leerden kennen, en een toekomst die we nu samen verder mogen vormgeven.

Dorpsversterking door groenblauwe beleving - Groenblauwe beleving door dorpsversterking
Het project ‘Dorpsversterking door groenblauwe beleving - Groenblauwe beleving door dorpsversterking’ is een LEADER project en kadert in het bredere traject van het KempenLab Dorpse Woonlandschappen. We ontwikkelen een Toolbox Dorpse Woonlandschappen om de open ruimte van Kempense dorpskernen te versterken. AR-TUR verwezenlijkt dit traject samen met onze partners KU Leuven Departement Architectuur, provincie Antwerpen, stad Hoogstraten, Regionaal Landschap De Voorkempen en Wortel2030 met de steun van de Europese Unie, Vlaanderen, de provincie Antwerpen, Rurant en LEADER.