Verslag | Werk- en studiedag Dorpse Woonlandschappen

Op een winterse januariochtend verzamelen ontwerpers, beleidsmakers, ontwikkelaars, eigenaars en andere betrokkenen zich in Turnhout, in de schaduw van de Sint-Pieterskerk. Door de ramen kijken we uit op de hoogbouwtoren op de Turnovasite die de stad markeert. De setting maakt meteen het spanningsveld voelbaar. Sommigen komen uit naburige dorpen, anderen uit steden als Antwerpen of Brussel. Hier, op deze plek, raken stad en dorp elkaar letterlijk en figuurlijk.

Deze werk- en studiedag vormt het slotmoment van het KempenLab Dorpse Woonlandschappen, een traject van AR-TUR dat onderzoekt hoe dorpen zich ontwikkelen, met bijzondere aandacht voor architecturale en landschappelijke kwaliteit. In haar opening schetst Edith Wouters het kader van het KempenLab en de reden waarom we hier samenkomen.

Tekst: Maarten Henckens
Leestijd: 20 min
Foto's: Kelly Donckers

Dat deze bijeenkomst plaatsvindt in Turnhout is geen toeval. Als centrumstad van de Kempen fungeert Turnhout als een scharnier tussen dorp en stad, tussen beleid en praktijk, tussen schaalniveaus die elkaar nodig hebben maar elkaar niet altijd vanzelfsprekend begrijpen. Die positie weerspiegelt zich in de thematiek van de dag, die zich beweegt tussen langetermijnambities en onmiddellijke ontwikkelingsdruk, tussen individuele eigendom en collectief belang, tussen bouwen en niet bouwen, tussen dorpsbewoners en bovenlokale besturen. De aantrekkingskracht van het dorp: groen, kleinschalig en nabij, botst steeds vaker met versnelde en ongenuanceerde vormen van projectontwikkeling. Tegelijk bestaan er ook andere trajecten: trager, zorgvuldiger, en gedragen door kwaliteit, tijd en betrokkenheid.

Dorpen bevinden zich vandaag op een kruispunt. Wat generaties lang informeel en collectief werd gebruikt, vaak binnen en tussen families, komt onder druk te staan wanneer erfgenamen wegtrekken, eigendom wordt opgesplitst of nieuwe woonnoden zich aandienen. Zonder een gedeeld waardenkader leidt dat snel tot versnippering, verharding en het verlies van ruimtelijke samenhang. Niet noodzakelijk uit slechte intenties, maar vaak bij gebrek aan richting en ondersteuning. Het KempenLab vertrekt daarom niet vanuit abstracte plannen of generieke modellen, maar vanuit een concreet traject.

Edith licht toe hoe AR-TUR samen met de familie Fransen, bewoners van de Oude Weg in Wortel, een onderzoekstraject heeft opgezet om te begrijpen hoe families, en hun relatie tot instromers, een sleutelrol hebben in de toekomst van het dorp. Bewust of onbewust nemen zij beslissingen die niet alleen hun straat, maar ook het bredere dorp op lange termijn mee vormgeven.Vanuit deze insteek zet ze de toon van de dag waarin lezingen, werksessies en een panelgesprek elkaar afwisselen. Samen zoeken we naar antwoorden op vragen als: hoe maken we ruimte voor kwalitatieve dorpsontwikkeling? Hoe kunnen landschap, bebouwing en gedeelde ruimte in dorpse contexten hand in hand gaan? Hoe kunnen dorpen op een zorgzame manier toekomstbestendig worden gemaakt? En hoe dragen stakeholders in dergelijk proces bij aan het groeien van een dorps woonlandschap?

Wortel tussen leefbaarheid, groei en beleidskeuzes

Na de intro door Edith verschuift de aandacht naar Wortel, een plek die voor velen in de zaal intussen vertrouwd aanvoelt. Ann Embrechts, planoloog bij de stad Hoogstraten, neemt ons mee in het verhaal van het dorp en plaatst de bredere inzichten over dorpsontwikkeling in een concrete bestuurlijke en ruimtelijke realiteit. Haar lezing maakt voelbaar hoe beleid en dorpse leefbaarheid elkaar raken, maar niet altijd vanzelfsprekend samenvallen.

Wortel is een klein dorp, sterk verankerd in zijn landschap. Vanuit het dorpscentrum openen zich doorzichten naar de Markvallei, oude en recentere bebouwing staan er zij aan zij, en het groene karakter is overal aanwezig. Het dorp oogt rustig en overzichtelijk, maar onder die schijnbare vanzelfsprekendheid schuilen spanningen die typerend zijn voor veel Vlaamse dorpen vandaag.

Dwars door Wortel loopt een gewestweg. Ze verbindt het dorp met Hoogstraten en de omliggende regio en is daarmee onmisbaar in een landelijke context. Tegelijk snijdt ze het dorp doormidden. Voor voetgangers en fietsers vormt de weg een barrière, voor kinderen een risico. Ook het groen kent die dubbelheid. Hoewel Wortel landschappelijk sterk ingebed is, blijkt er een tekort aan kwalitatieve en toegankelijke publieke speelruimte. Groen is aanwezig, maar niet altijd bruikbaar. Embrechts benadrukt dat vergroening alleen niet volstaat: het gaat om bereikbaarheid, veiligheid en de manier waarop ruimte daadwerkelijk gebruikt kan worden. Precies daar, zo stelt ze, moet het gesprek worden opgestart.

Ann Embrechts - Stad Hoogstraten

Uit het voortraject dat AR-TUR opstartte in Wortel samen met het lokaal bestuur Hoogstraten en de opmaak van het dorpontwikkelingskader, ontstond Wortel2030: een burgerinitiatief waarin een bredere groep dorpsbewoners nadenkt over de toekomst van het dorp. Niet vanuit één groot plan, maar via een proces van luisteren, afwegen en verbeelden. Het traject resulteerde in duidelijke ambities: het herdenken van pleinen als kloppend hart van het dorp, het versterken van de relatie tussen Wortel en zijn landschap, het bewaken van de dorpse beeldkwaliteit. Het zijn geen kant-en-klare oplossingen, maar richtingen: een gedeeld kader dat houvast biedt bij toekomstige keuzes.

Doorheen de toelichting wordt duidelijk hoe cruciaal samenwerking is in dit proces. Trajecten zoals Wortel2030 en de samenwerking met AR-TUR, in samenspraak met het bovenlokaal bestuur, tonen de kracht van samen nadenken. Tegelijk maakt het ook de spanningsvelden zichtbaar waarin overheden opereren. Enerzijds moeten zij verantwoordelijkheid opnemen door richting te geven, te ondersteunen en te durven sturen, in wisselwerking met initiatieven van onderuit. Anderzijds ontbreekt het op bovenlokaal niveau vaak aan een duidelijke, samenhangende visie over hoe de dorpen van morgen eruit moeten zien. Alleen in die voortdurende beweging tussen bottom-up betrokkenheid en beleidsmatige regie kan de toekomst van dorpen zoals Wortel worden benaderd als een collectieve opgave.

Denken over het dorp als systeem

Na de lokale verdieping verschuift de aandacht opnieuw naar een breder perspectief. Ilke Klasen van ontwerpbureau De Zwarte Hond neemt ons mee naar Noord-Brabant, waar ze de voorbije jaren werktenaan de Brabantse Dorpenstrategie. Wat zij presenteert is geen blauwdruk of masterplan, maar een denkkader: een uitgebreide toolbox die vertrekt vanuit een scherpe lezing van wat vandaag in dorpen gebeurt.

Dorpen worden vaak voorgesteld als stabiele, bijna tijdloze plekken. In werkelijkheid, zo stelt Klasen, staan ze onder grote druk. Huishoudens worden kleiner, jongeren trekken weg, ouderen blijven langer alleen wonen. Om hetzelfde aantal inwoners te behouden, zijn meer woningen nodig dan vroeger. Tegelijk verdwijnen voorzieningen: scholen fuseren, cafés sluiten, winkels maken plaats voor leegstand. Wat overblijft is een aantrekkelijk woonmilieu, groen en rustig, maar steeds minder zelfvoorzienend en minder toekomstbestendig.

Vanuit die spanning bouwde De Zwarte Hond de Brabantse Dorpenstrategie op een analyse en toolbox waarin terugkerende opgaven: woningvoorraad, voorzieningen, economie, mobiliteit, een gezonde leefomgeving enzovoort, werden gedefinieerd. Niet afzonderlijk benaderd, maar bewust met elkaar verbonden. Elke opgave wordt ondersteund door maatregelen en instrumenten die houvast bieden bij concrete keuzes om deze opgaven aan te pakken. De toolbox is geen vast recept, maar een flexibel kader, aangevuld met verhaallijnen en praktijkvoorbeelden. Dorpen verschillen immers sterk in grootte, ligging en relatie tot omliggende steden. Maatwerk staat dus centraal.

Ilke Klasen - De Zwarte Hond

Zo wordt wonen binnen de strategie niet gezien als een geïsoleerde opgave, maar als een hefboom om meerdere uitdagingen tegelijk aan te pakken. Nieuwe woningen zijn geen doel op zich, maar een middel om voorzieningen te ondersteunen, sociale dynamiek te versterken en dorpen leefbaar te houden. Door te bouwen voor specifieke doelgroepen: ouderen, starters en kleinere huishoudens, kunnen bestaande gezinswoningen vrijkomen. Deze woonvormen worden bij voorkeur ingeplant nabij voorzieningen, zodat dagelijkse verplaatsingen te voet of met de fiets mogelijk blijven en de afhankelijkheid van de auto afneemt. Cruciaal daarbij is de keuze om niet verder uit te breiden in het open landschap, maar gericht te verdichten op plekken waar wonen bijdraagt aan het functioneren van het dorp als geheel. Er ontstaat beweging in het dorp, zonder nieuwe aansnijdingen aan de randen. Eén ingreep kan zo meerdere opgaven tegelijk beïnvloeden: als een dominosteen die een bredere beweging in gang zet.

Aan de hand van concrete voorbeelden toont Klasen hoe deze principes in de praktijk vorm krijgen. In Erp werden nieuwe seniorenwoningen ingeplant tussen kerk en café, te midden van het dorpsleven. In Sint-Oedenrode maakte een tankstation plaats voor een dens woonproject dat het zicht vanuit het dorp op het omliggende landschap herstelt. In beide gevallen wordt duidelijk dat dorpse architectuur niet hoeft te vervallen in nostalgie of stilstand. Integendeel: ook in het dorp is ruimte voor nieuwe ideeën, hogere ruimtelijke kwaliteit en hedendaagse woonvormen, zonder de herkenbare dorpsidentiteit te verliezen.

De kernboodschap is helder: dorpsontwikkeling vraagt om strategie en keuzes. Lokale besturen spelen hierin een sleutelrol door richting te geven, prioriteiten te stellen en ruimtelijke kwaliteit expliciet mee te nemen in hun beleid. De Brabantse Dorpenstrategie biedt geen pasklare antwoorden, maar wel een kader om het juiste gesprek te voeren, op de schaal van het dorp én in relatie tot het grotere geheel.

Werksessie 1 – Dorpenstrategie in de praktijk: van abstracte opgaven naar de realiteit van het dorp

Na de lezing schakelen we van theorie naar praktijk. De deelnemers nemen plaats aan gesprekstafels en gaan, onder begeleiding van Ilke, zelf aan de slag met de toolbox. Aan de hand van het dorp Wortel analyseren we opgaven, verkennen we mogelijke maatregelen en zoeken we uit welke instrumenten we kunnen inzetten in deze concrete dorpscontext. Voor even worden we zelf dorpsmakers.

De samenstelling van de tafels is bewust divers: ontwerpers, beleidsmedewerkers, onderzoekers en mensen met een sterke lokale voeling. Niet iedereen kent het dorp even goed, maar dat verschil wordt niet als een beperking ervaren. Integendeel, het maakt het mogelijk om Wortel te lezen vanuit zowel nabijheid als afstand, en om patronen zichtbaar te maken die voor bewoners soms onopgemerkt blijven.

Wat we al zeker weten is dat dorpsontwikkeling zich niet laat reduceren tot één afzonderlijke opgave. Wonen, mobiliteit, groen, een sociale leefomgeving, elks blijken ze onlosmakelijk met elkaar verbonden en elkaar te beïnvloeden. Elke ruimtelijke ingreep heeft sociale gevolgen, en omgekeerd. De werksessies vertrekken daarom niet vanuit oplossingen, maar vanuit samenhang: hoe functioneren deze lagen samen, en waar wringt het vandaag?

Mobiliteit en bereikbaarheid: een structurerende onderlaag

De opgave mobiliteit wordt meermaals naar voren geschoven als een bepalende factor voor de leefbaarheid van Wortel. De gewestweg die het dorp doorkruist, wordt ervaren als een harde infrastructuur die het noorden en zuiden van elkaar scheidt, maar tegelijk ook kansen biedt als structurerende drager. Die dubbelheid typeert het gesprek: infrastructuur wordt niet enkel als probleem benoemd, maar ook als potentieel.

Omdat Wortel weinig voorzieningen heeft, zijn bewoners sterk afhankelijk van omliggende kernen. De fiets en trage verbindingen worden daarom gezien als cruciale schakels. Niet alleen om dagelijkse verplaatsingen mogelijk te maken, maar ook om ontmoeting te stimuleren. Doorsteken, veilige fietsroutes en verbindingen tussen dorpsankers zoals kerk, plein en school zijn belangrijke mobiliteitsingrepen: ze vormen de ruggengraat van het dagelijkse dorpsleven.

Woningvoorraad: van uitbreiden naar herdenken

Wortel wordt ervaren als een dorp dat zijn ruimtelijke grenzen grotendeels heeft bereikt. Verder verkavelen aan de randen is niet wenselijk. De aandacht verschuift daarom nadrukkelijk naar inbreiding, hergebruik en transformatie binnen het bestaande weefsel. Daarbij komt een duidelijke mismatch naar voren tussen de huidige woningvoorraad en de veranderende woonnoden. Veel woningen zijn vandaag te groot voor de bewoners die er wonen, terwijl nieuwe ontwikkelingen vaak blijven inzetten op eenzijdige en weinig flexibele typologieën.

Hier sluit de discussie expliciet aan bij de opgave die Ilke Klasen in haar lezing benoemde. In plaats van steeds nieuwe woningen toe te voegen, rijst de vraag in hoeverre de bestaande woningvoorraad kan worden aangepast aan nieuwe behoeften. Mogelijke pistes zijn het herbestemmen van boerderijen en grote erven, het opsplitsen van bestaande woningen en het ontwikkelen van flexibele of gecombineerde woonvormen die verschillende generaties kunnen huisvesten. Zo benader je wonen niet als een kwantitatieve uitbreidingsopgave, maar als een kwalitatieve herinterpretatie van het bestaande.

Eigendom blijkt daarbij een cruciale factor. In Wortel is veel grond in handen van families, wat kansen biedt voor zorgvuldige ontwikkeling, maar ook risico’s inhoudt. De druk van ontwikkelaars en een speculatieve logica op perceelsniveau leiden tot versnippering en kwaliteitsverlies. In meerdere groepen klinkt daarom een duidelijke oproep tot regie: om een aanspreekpunt te zijn, om richting te geven op schaal van het dorp, verder kijkend dan het individuele perceel.

Groen en gezonde leefomgeving: van versnippering naar netwerk

Hoewel Wortel vaak wordt omschreven als een groen dorp, wordt vastgesteld dat dit groen sterk versnipperd en grotendeels privaat georganiseerd is. In plaats van in te zetten op nieuwe, afgebakende parken, pleiten de werksessies voor de uitbouw van een fijnmazig netwerk van groenblauwe structuren, waarin private en publieke ruimtes met elkaar worden verbonden.

Tegelijk heeft het groen een uitgesproken functionele rol. Het wordt ingezet als drager voor fiets- en wandelverbindingen en als antwoord op klimaatuitdagingen, bijvoorbeeld via bufferzones voor wateropvang en infiltratie. Vanuit dit perspectief versterken landschap en leefkwaliteit elkaar: niet als afzonderlijke thema’s, maar als complementaire onderdelen van één dorpssysteem.

De gedeelde groene ruimte wordt niet louter landschappelijk of functioneel benaderd, maar ook sociaal gelezen. Ze fungeert als informele ontmoetingsplek in het groen, zo typerend voor het dorp. Het landschappelijke weefsel vormt de basis voor een gezonde leefomgeving en versterkt de sociale cohesie van het dorp.

Doorheen alle tafels keert één kernbegrip steeds terug: regie. Niet als top-down sturing, maar als het vermogen om richting te geven en keuzes te durven maken. De deelnemers wijzen op het risico van participatietrajecten zonder duidelijk kader, waarin individuele belangen de bovenhand krijgen en draagvlak verloren gaat.

Dorpsontwikkeling vraagt tijd: tijd om vertrouwen op te bouwen, om alternatieven te verkennen en om een gedeeld waardenkader te formuleren. Instrumenten zoals de toolbox worden gewaardeerd als ondersteunend middel, maar werken pas echt wanneer ze ingebed zijn in een breder verhaal over wat het dorp wil zijn en wil blijven.

Wortel is een dorp in beweging, waar strategisch denken en lokale realiteit elkaar kunnen versterken, op voorwaarde dat er tijd, regie en verantwoordelijkheid wordt genomen.

Familiale projectontwikkeling tussen ambitie, markt en regie

In de namiddag verschuift de focus van verkenning naar een concreet projectverhaal van de familie Mertens. Broer en zus Guy en Chris Mertens nemen ons mee in het traject dat hun familie doorliep in Merksplas, waar een centraal gelegen site nabij de kerktoren het vertrekpunt werd van een langdurig en complex ontwikkelingsproces. Hun verhaal maakt voelbaar hoe dorpsontwikkeling zich afspeelt op het snijvlak van familiale betrokkenheid, ruimtelijke ambitie en de weerbarstige realiteit van markt en beleid. Het is geen eenduidig succesverhaal, maar een eerlijk relaas over regie nemen, kansen grijpen en onderweg ook moeten bijsturen.

Na het overlijden van hun ouders werden de kinderen eigenaar van een weide, pal in het dorpscentrum. Hoewel de gronden vergund waren voor woningbouw, werd bewust niet gekozen voor een snelle verkoop. De familie wilde vermijden dat de site zou uitmonden in een klassieke verkaveling. Er leefde een duidelijke wens om iets ambitieus te realiseren, en tegelijk iets terug te geven aan het dorp.

Guy en Chris Mertens - Familie Mertens

Na een verkenningsronde met AR-TUR formuleerde de familie eerst een gedeeld uitgangspunt: het creëren van een groene, ecologische en sociale woonomgeving. Dat gezamenlijke kader vormde de basis van het verdere traject. Ambities, verwachtingen en grenzen werden scherp gesteld nog vóór het ontwerpproces van start ging: een cruciale fase om richting en draagvlak te creëren. Vervolgens werd samen met Blauwdruk een masterplan uitgewerkt: geen klassieke verkavelingswijk, maar een woonerfachtig, bijna begijnhofachtig concept met collectieve hoven, een sterke relatie met het landschap en een duidelijke ruimtelijke samenhang. Hier kregen de ambities van de familie voor het eerst een ruimtelijke vertaling. Daarna werd het masterplan omgezet in concrete architectuur door murmuur architecten en ECTV architecten, die samen een uitgesproken ontwerp ontwikkelden met een duidelijke ecologische visie, hoogwaardige architectuur en veel aandacht voor collectiviteit. Het voorstel omvatte diverse woontypologieën, ruime gedeelde voorzieningen, specifieke VME-structuren en aanzienlijke collectieve groenzones. Het ontwerp werd een droomscenario voor de familie en de betrokkenen, maar bevond zich tegelijk al snel in een grijze zone: te ambitieus om klassiek te zijn en te familiaal om vanzelfsprekend te passen binnen een standaard ontwikkeltraject. Hoewel ruimtelijk overtuigend, riep het plan vragen op rond verkoopbaarheid, eigendomsstructuren en toekomstig beheer. De familie wilde de regie behouden, maar een volledig vergund project realiseren zonder ontwikkelaar bleek te risicovol. De zoektocht naar een partner werd onvermijdelijk.

Bart Aerts - Leidsman

In die fase werd Bart Aerts van Leidsman betrokken om het ontwerp te toetsen aan marktkennis. Uit gesprekken met verschillende ontwikkelaars bleek al snel dat het oorspronkelijke voorstel complex en financieel zwaar was: te veel onbestemde collectieve ruimte, een aanzienlijke beheerslast voor toekomstige bewoners en woningprijzen die moeilijk haalbaar waren binnen de gangbare marktlogica. Via een offertevraag vond de familie uiteindelijk een ontwikkelaar die bereid was mee te stappen in het project. Samen met Tim Peeters van Matexi werd het plan herbekeken en aangepast. Het aantal erfstructuren werd beperkt, woningtypes werden verkleind en meer marktconform gemaakt, en het aandeel collectief restgroen werd teruggebracht. De kernkwaliteiten van het oorspronkelijke masterplan bleven overeind, maar het het oorspronkelijke architectenteam bleef niet aan boord. Het stopzetten van deze samenwerking vormde een emotioneel kantelpunt voor de familie en maakte pijnlijk duidelijk hoe compromissen nodig waren om het project verder te kunnen dragen.

Vandaag staat het project in de steigers. Ondanks bijkomende spanningen bleef een belangrijk deel van het ruimtelijk DNA, afkomstig uit het oorspronkelijke masterplan, overeind. Er ligt een plan met een duidelijke identiteit en ruimte voor ontmoeting. In hun reflectie zijn Guy en Chris opvallend open over twijfels, spanningen en lessen onderweg, maar ook over hun tevredenheid met wat uiteindelijk gerealiseerd kon worden. Hun verhaal toont dat vernieuwende dorpsontwikkeling mogelijk is, maar zelden zonder frictie. Marktlogica, regelgeving, eigendomsstructuren en tijdsdruk maken het moeilijk om alternatieve woonvormen consequent door te voeren.

Tot slot benadrukken Guy en Chris een les die doorheen de hele dag blijft terugkomen: het belang van het zo vroeg mogelijk samenbrengen van de diverse actoren in het proces. Ontwerpers, ontwikkelaars, beleidsmakers en eigenaars moeten idealiter van bij de start betrokken worden, zodat ambitie, kwaliteit en rendabiliteit niet tegenover elkaar komen te staan, maar stap voor stap samen kunnen worden afgewogen. De casus van de familie Mertens is daarmee geen glad succesverhaal, maar een herkenbaar en waardevol relaas over regie nemen, keuzes maken en volhouden. Ze toont hoe families, net door hun persoonlijke en langdurige band met een plek, een cruciale rol kunnen opnemen in dorpsontwikkeling: net door die betrokkenheid worden ze de kwaliteitswakers van het dorp van morgen

Het verhaal vormt zo een duidelijke spiegel voor iedereen die aanwezig is, zeker voor de bewoners van de Oude Weg in Wortel. Net als in Merksplas gaat het om een plek met sterke familiale betrokkenheid, waar eigenaarschap, zorg en verbondenheid vandaag nog vanzelfsprekend lijken, maar in de toekomst onder druk kunnen komen te staan. De casus maakt tastbaar welke vragen zich onvermijdelijk aandienen wanneer zulke plekken veranderen: hoe behoud je ruimtelijke kwaliteit wanneer eigendom verschuift? Hoe neem je samen regie? Hoeveel ambitie kan een dorp dragen zonder zichzelf te verliezen?

Tim Peeters - Matexi

Werksessie 2 – Rollen, verantwoordelijkheid en proceskwaliteit

Waar de eerste werksessie vooral focust op de ruimtelijke opgaven van het dorp, verschuift in de tweede werksessie de aandacht naar het proces en de rollen die daarin worden opgenomen. Per tafel werden verschillende rollen toegewezen die mee verantwoordelijkheid dragen aan het dorpsontwikkelingsproces. Uiteenlopende achtergronden; ontwerpers, ontwikkelaars, ambtenaren, procesbegeleiders… spreken mee uit ervaring. Niet één specifieke casus staat centraal, maar de vraag hoe dorpsontwikkeling in Vlaanderen vandaag georganiseerd raakt, vastloopt of net kwaliteit kan genereren.

De rol van de overheid: kadersteller en regisseur

De gemeente wordt door de deelnemers gezien als een cruciale actor. Niet zozeer als uitvoerder, maar als regisseur die richting geeft, kaders vastlegt en kwaliteit bewaakt. Zonder een duidelijke visie en expliciete keuzes dreigen projecten te verzanden in ad-hocoplossingen of perceelsgewijze ontwikkeling. Tegelijk wordt erkend dat veel gemeenten kampen met beperkte capaciteit, personeelswissels en een hoge werkdruk, waardoor continuïteit en kennisopbouw onder druk staan.

Ook de bovenlokale overheid - provincie, intergemeentelijke structuren en Vlaamse instanties - komt nadrukkelijk aan bod. Haar rol wordt niet gezien als die van een meebeslisser in individuele dossiers, maar als kadersteller die maatschappelijke belangen bewaakt en expertise aanreikt. De werksessie pleit voor duidelijke, vertaalbare richtlijnen en voor vroegtijdige, periodieke aftoetsing tijdens lange trajecten. Wanneer het bovenlokale niveau pas opduikt bij vergunningen of beroepsprocedures, wordt het ervaren als remmend en conflictversterkend.

Een centrale figuur hierin is de omgevingsambtenaar. Zijn of haar positie wordt omschreven als bijzonder kwetsbaar: balancerend tussen politieke besluitvorming, regelgeving, aanvragers met grote financiële belangen en het streven naar ruimtelijke kwaliteit. De vaststelling dat vergunningen steeds vaker worden aangevochten op motiveringsgronden dwingt omgevingsambtenaren in een defensieve, juridisch-technische rol, waardoor inhoudelijke kwaliteit moeilijker te verdedigen valt.

Ontwerper, ontwikkelaar en procesbegeleider

Ook de verhouding tussen ontwerpers en ontwikkelaars komt uitvoerig aan bod. Architecten worden gewaardeerd om hun verbeeldingskracht en ambitie, maar botsen soms op haalbaarheid wanneer zij te lang geïsoleerd werken. Ontwikkelaars brengen financiële en uitvoeringskennis binnen, maar riskeren het gesprek te vernauwen tot louter functionele of marktgedreven beslissingen. De conclusie is genuanceerd: ruimtelijke kwaliteit ontstaat niet door één actor te privilegiëren, maar door tijdige afstemming binnen een duidelijk kader.

Steeds opnieuw duikt daarbij de nood aan een onafhankelijke procesbegeleider op. Iemand die het overzicht bewaart, belangen expliciteert en het traject bewaakt, zonder zich te vereenzelvigen met één partij, en die als moderator optreedt wanneer spanningen ontstaan. Die rol vraagt vertrouwen, inhoudelijke kennis en het vermogen om te vertragen of net te versnellen waar nodig.

Eigenaars, notarissen en stille sturing

Een scherp inzicht uit de werksessie betreft de rol van eigenaars en notarissen. In dorpen waar eigendom historisch en familiaal geconcentreerd is, oefenen zij een grote, vaak onzichtbare, invloed uit op ontwikkelingsdynamieken. Notarissen profileren zich als juridisch neutraal, maar sturen via waardebepalingen en aanbevelingen verwachtingen en keuzes. De deelnemers zien hier zowel een blinde vlek als een kans: door eigenaars en notarissen expliciet te betrekken bij beleidsvisies kunnen zij evolueren van onbedoelde aanjagers van versnippering naar partners in kwaliteitsvolle ontwikkeling.

Een onderschatte actor: de landmeter

Ook de rol van de landmeter wordt benoemd, bijna terloops, maar met opvallend veel herkenning. De landmeter verschijnt zelden expliciet in beleidsnota’s of ontwerpkaders, maar blijkt in de praktijk een cruciale schakel. Beslissingen over perceelsafbakening, rooilijnen en verkavelingsstructuren bepalen in hoge mate het ruimtelijk beeld, vaak met een impact die verder reikt dan het individuele dossier. Toch wordt die rol meestal gereduceerd tot een strikt technische en juridische opdracht. Meerdere deelnemers stellen vast dat deze klassieke invulling weinig ruimte laat voor context, landschap en bestaande structuren. Verkaveling dreigt zo te verworden tot een mechanische oefening, gestuurd door maatvoering en regelgeving.

Snel wordt duidelijk dat veel spanningen niet voortkomen uit slechte intenties, maar uit onduidelijkheid over wie wanneer welke rol opneemt. Dorpsontwikkeling blijkt een complex samenspel tussen lokale besturen, bovenlokale overheden, ontwerpers, ontwikkelaars, eigenaars en burgers. Wanneer die rollen niet helder zijn afgebakend of slecht op elkaar worden afgestemd, verschuift de focus van kwaliteit naar haalbaarheid, juridische verdedigbaarheid of conflictbeheersing.

Kwaliteit ontstaat niet vanzelf. Ze vraagt duidelijke kaders, afgestemde rollen, tijd om vertrouwen op te bouwen en ruimte voor langetermijndenken. Niet meer regels, maar meer helderheid, structuur en continuïteit blijken essentieel. Wanneer die voorwaarden ontbreken, verschuift de aandacht van ruimtelijke kwaliteit naar juridische zekerheid en conflictbeheersing. Wanneer ze wel aanwezig zijn, ontstaat ruimte voor zorgvuldige, gedragen dorpsontwikkeling.

Vanuit deze inzichten werkt AR-TUR met de dorpsmakerscommunity TRIBE verder aan het verdiepen en verbinden van de verschillende rollen om ze leesbaar, bespreekbaar en hanteerbaar te maken binnen complexe ontwikkelingsprocessen. De uitwerking van deze rollen nemen we mee in de publicatie Toolbox Dorpse Woonlandschappen, waarin ze worden vertaald naar concrete handvatten voor beleidsmakers, ontwerpers, lokale besturen en andere betrokken actoren die werken aan duurzame en zorgvuldige dorpsontwikkeling.

Panelgesprek – Rollen, verantwoordelijkheid en proceskwaliteit in dorpse ontwikkeling

In de namiddag verbreedt het perspectief opnieuw. Met de inzichten uit de voorgaande lezingen en werksessies schuiven de deelnemers aan voor een afsluitend panelgesprek dat de blik opent naar het bredere veld van dorpsontwikkeling in de praktijk. Actieve spelers uit het werkveld gaan met elkaar in gesprek over hun ervaringen, verantwoordelijkheden en spanningsvelden. Aan tafel zitten Patrick Grimon (omgevingsambtenaar bij de gemeente Wijnegem), Katleen Wouters (Development manager bij Van Roey Vastgoed) en Peter Verschuren (partner-architect bij Denkkamer, gevestigd in Nederland). Tine Hens begeleidt het gesprek als moderator. Elk panellid vertrekt vanuit een andere rol, maar allen delen ze een uitgesproken betrokkenheid bij projecten in dorpscontexten en een gezamenlijke zorg voor ruimtelijke kwaliteit.

Het gesprek vertrekt vanuit een herkenbaar uitgangspunt: veel dorpsontwikkelingen beginnen bij families met grond, vaak generaties lang verankerd in een plek. Ontwikkelaars zoeken opportuniteiten om aan de woonvraag te beantwoorden, terwijl lokale besturen zoeken naar houvast om regie te blijven voeren. Tegelijk staan dorpen vandaag onder druk door klimaatuitdagingen, mobiliteitsvraagstukken, vergrijzing en veranderende woonbehoeften. De centrale vraag die boven de tafel hangt is dan ook eenvoudig, maar fundamenteel: wie draagt de verantwoordelijkheid voor kwaliteit?

Al snel wordt duidelijk dat die verantwoordelijkheid niet bij één actor kan worden gelegd. Ruimtelijke kwaliteit ontstaat niet vanzelf en is geen eindproduct van één beslissing, maar groeit in samenwerking. Ze vraagt betrokkenheid van grondeigenaars en families, van gemeenten, ontwerpers, ontwikkelaars en ondersteunende instanties. Patrick Grimon benadrukt de rol van de gemeente als facilitator: wat niet betekent alles zelf te moeten weten of doen, maar wel duidelijke krijtlijnen formuleren en actief expertise opzoeken, bijvoorbeeld via externe ontwerpers of de Vlaamse Bouwmeester. Vooral voor kleinere gemeenten, waar minder interne expertise aanwezig is, is die ondersteuning cruciaal. Regie nemen betekent hier vooral: actoren samenbrengen, richting geven en het proces bewaken.

Een terugkerend inzicht tijdens het gesprek is dan ook hoe kwetsbaar kwaliteit wordt wanneer één schakel ontbreekt. Wanneer ontwikkelaars te laat worden betrokken, wanneer gemeenten pas reageren in plaats van sturen, of wanneer ontwerpers onvoldoende ruimte krijgen om te onderzoeken, ontstaan wrijvingen en verdwijnt kwaliteit. Het vroegtijdig samenbrengen van de juiste actoren rond de tafel blijkt essentieel om draagvlak, helderheid en continuïteit te garanderen.

Katleen Wouters - Van Roey Vastgoed

Katleen Wouters pleit daarom voor een nauwere samenwerking tussen initiatiefnemers, gemeenten en ontwikkelaars. Gemeenten beschikken over instrumenten om kwaliteit af te dwingen: grondverkoop onder voorwaarden, open oproepen, of aanbestedingen waarin niet enkel het hoogste bod, maar ook ruimtelijke kwaliteit een afweging is. Ze benadrukt dat ontwikkelaars geen tegenstanders hoeven te zijn van kwaliteit, zolang ze van bij de start mee kunnen nadenken. Wanneer zij pas op het einde instappen, worden plannen noodgedwongen hertekend en soms afgezwakt.

Het gesprek verschuift vervolgens naar het verder kijken dan de klassieke perceelslogica. Dorpen zijn geen optelsom van individuele kavels, maar maken deel uit van een groter ruimtelijk geheel. De panelleden benadrukken daarom het belang van voorafgaande, perceelsoverschrijdende analyses: het benoemen en begrijpen van landschapsstructuren, reliëf, waterlopen, bestaande bomenrijen en andere dragende elementen. Wanneer deze structuren expliciet in kaart worden gebracht en meegenomen in het ontwerpproces, kunnen ze fungeren als dragers van ruimtelijke kwaliteit. Ze geven richting aan toekomstige ontwikkelingen op schaal van het geheel, en sturen tegelijk mee de inrichting en mogelijkheden van de individuele kavels. De verschillende schalen spelen hier in op elkaar.

Peter Verschuren - Denkkamer

Een opvallend vergelijkend moment ontstaat wanneer Vlaanderen en Nederland tegenover elkaar worden geplaatst. In Nederland nemen gemeenten vaker een actieve, initiërende rol op in stads- en dorpsontwikkeling. Projecten worden er geselecteerd, ondersteund en gefaseerd aangepakt. In Vlaanderen overheerst vaker een afwachtend model, waarbij gemeenten reageren op voorstellen van ontwikkelaars. Dat leidt tot tijdsdruk, onzekerheid en gemiste kansen om kwaliteit vroeg in het proces te verankeren. De vergelijking roept onvermijdelijk de vraag op in hoeverre Vlaanderen vandaag beschikt over voldoende visie en instrumenten om dorpsontwikkeling proactief en kwaliteitsvol aan te sturen.

Tot slot bespreekt het panel verschillende manieren om kwaliteit procesmatig te bewaken: kwaliteitskamers, projectdagboeken, stappenplannen, of misschien zelfs een dorpsbouwmeester? Deze instrumenten blijken vooral waardevol wanneer ze op tijd worden ingezet en ruimte laten voor dialoog en ontwerpend onderzoek. Kwaliteit zit, zo wordt herhaald, minder in regels en cijfers, en meer in structuur, gesprek en continuïteit. Een zorgvuldig opgezet traject, met alle betrokken actoren rond de tafel, blijft daarbij het uitgangspunt.

Het panelgesprek voelt als een echo van alles wat eerder op de dag werd besproken. De verhalen van de Oude Weg in Wortel, het traject van de familie Mertens in Merksplas en de inzichten uit de Brabantse Dorpenstrategie leggen samen bloot hoe complex, maar ook hoe betekenisvol dorpse ontwikkeling in Vlaanderen vandaag is.

Dorpen zijn geen statische entiteiten. Ze veranderen voortdurend, vaak langzaam en bijna onmerkbaar, onder invloed van maatschappelijke verschuivingen zoals demografische veranderingen, klimaatuitdagingen, mobiliteit en economische druk. Die veranderingen manifesteren zich op heel lokale schaal: in één straat, op één erf, binnen één familie. Precies daar toont het dorp zelf hoe kwetsbaar de ruimtelijke en sociale samenhang kan zijn, maar ook hoe veerkrachtig die is wanneer diverse actoren er bewust en zorgzaam mee omgaan.

Tot slot

De dag maakt duidelijk dat dorpse ontwikkeling niet kan worden herleid tot de vraag waar en hoeveel er gebouwd moet worden. Minstens even belangrijk is de vraag hoe er wordt samengewerkt en wie het proces draagt. Families, als langetermijneigenaars met een sterke emotionele band met hun plek, blijken daarbij cruciale actoren. Tegelijk kunnen zij deze rol niet alleen opnemen. Zonder ondersteuning, richting en regie van lokale besturen dreigen individuele keuzes zich op te stapelen tot versnippering en verlies aan kwaliteit. Omgekeerd toont de dag ook dat overheden het niet alleen kunnen: zonder betrokken eigenaars, ontwerpers en ontwikkelaars die mee verantwoordelijkheid opnemen, blijft beleid abstract en moeilijk toepasbaar.

Een belangrijk inzicht is dat ruimtelijke kwaliteit niet enkel ontstaat uit ontwerpbeelden, maar vooral in het proces. In het tijd nemen om te onderzoeken, in het benoemen van landschappelijke structuren, in het bespreekbaar maken van ambities en grenzen, in het vroeg samenbrengen van alle betrokken actoren. Instrumenten zoals ontwerpend onderzoek, kwaliteitskamers en participatieve trajecten zijn daarbij geen luxe, maar noodzakelijke voorwaarden om complexe vraagstukken zorgvuldig te benaderen en aan te pakken.

De inhoud van deze dag reikt verder dan Wortel of Merksplas alleen. Ze houdt een spiegel voor aan vele dorpen in Vlaanderen, waar gelijkaardige spanningen spelen tussen behoud en verandering, tussen individuele eigendom en collectieve verantwoordelijkheid, tussen open ruimte en woonnood. De gesprekken en oefeningen tonen dat er geen eenduidige oplossing bestaat, maar wel een gedeelde opdracht: het ontwikkelen van een gemeenschappelijke ambitie en een gedeeld waardenkader.

Misschien ligt daar wel de belangrijkste nalatenschap van het KempenLab Dorpse Woonlandschappen. Niet in het formuleren van definitieve antwoorden, maar in het openen van een gesprek dat blijft doorwerken. Een gesprek dat dorpen niet beschouwt als plekken die ‘af’ zijn, maar als levende systemen: waarin zorg, tijd en aandacht de basis vormen voor duurzame ontwikkeling. De dag eindigt dan ook niet met een conclusie, maar met een uitnodiging: om als ontwerpers, beleidsmakers, eigenaars en bewoners samen verantwoordelijkheid te blijven nemen voor de toekomst van onze dorpen, stap voor stap, met oog voor wat er al is, en met verbeelding voor wat nog kan komen.

Dorpsversterking door groenblauwe beleving - Groenblauwe beleving door dorpsversterking
Het project ‘Dorpsversterking door groenblauwe beleving - Groenblauwe beleving door dorpsversterking’ is een LEADER project en kadert in het bredere traject van het KempenLab Dorpse Woonlandschappen. We ontwikkelen een Toolbox Dorpse Woonlandschappen om de open ruimte van Kempense dorpskernen te versterken. AR-TUR verwezenlijkt dit traject samen met onze partners KU Leuven Departement Architectuur, provincie Antwerpen, stad Hoogstraten, Regionaal Landschap De Voorkempen en Wortel2030 met de steun van de Europese Unie, Vlaanderen, de provincie Antwerpen, Rurant en LEADER.