Verslag Dag van de dorpse architectuur

In het Kempenlab Dorpsarchitectuur tracht AR-TUR te ontrafelen wat kwalitatieve dorpsarchitectuur is, en op welke manier ze tot stand kan komen. Al te vaak vallen de dorpskernen in Vlaanderen onder het mom van het verdichtingsdiscours ten prooi aan generieke appartementsgebouwen die niet bijdragen aan de verblijfskwaliteit, de leefbaarheid of klimaatrobuustheid van het dorp. Op zoek naar alternatieven werkt AR-TUR samen met meerdere partners aan een Toolbox Dorpsarchitectuur, waarin een scala aan woontypologieën, tactieken en ontstaansprocessen van goede projecten wordt belicht.

Op de Dag van de dorpse architectuur zoomde AR-TUR in op voorbeeldprojecten, hoe deze tot stand kwamen, en op de verschillende beleidskaders en uiteenlopende actoren die aan de basis liggen van kwalitatieve architectuur in dorpen.

Tekst: Gitte Van den Bergh
Leestijd: 15 minuten – In het artikel vind je de links naar de juiste passage in de video-opname, zodat je gericht fragmenten kunt terugkijken.

De online studiemiddag bracht allerlei spelers uit het veld samen, van ontwerpers over opdrachtgevers, lokale en bovenlokale besturen tot juridische experten. Ze namen onder leiding van Koen Van Synghel zowel live als digitaal deel aan het gesprek.

Eerder organiseerde AR-TUR een performance van Elly Van Eeghem met een geanimeerde discussie, een workshop, een lezingavond en een oproep om voorbeelden van goede dorpsarchitectuur in te sturen. Twee casusgemeenten, Malle en Olen, fungeren doorlopend als klankbord. Architect-fotograaf Tom Verstraeten kreeg een fotografieopdracht om er dorpse taferelen uit te lichten. In de zomer werd al dit materiaal verzameld en verwerkt, op zoek naar de grootste gemene delers die in een toolbox dorpsarchitectuur gegoten kunnen worden.

1. Algemeen

>> Video: inleidende lezing Ward Verbakel

Ward Verbakel (KULeuven, Plusoffice architects) presenteert als inleiding de resultaten van zijn doctoraatsonderzoek, resultaten van zijn studentenstudio’s en voorbeelden uit zijn praktijk. Het onderzoek stelt daarbij de vragen scherp: wat is het DNA van dorpen? Moeten we, gezien de verstedelijkingsdruk, beperken hoe groot dorpen mogen worden? Hij detecteert daarbij twee tegengestelde percepties van het dorp: het dorp als ongeciviliseerd en achtergesteld, tegenover het nostalgische en authentieke aspect.

De vraag naar verdichting vertaalt zich momenteel nog steeds in een quasi ongebreidelde verspreiding van bebouwing over het hele land. Meer recent is het uitdeinen van de dorpen geëvolueerd naar verticale groei, densiteiten van 15 woningen per hectare (wo/ha) worden tot 100 wo/ha opgeschaald. Al te vaak wordt daarbij dezelfde typologie toegepast: tweeslaapkamerappartementen met een minimaal collectief gedeelte, die naar uitzicht pretenderen traditioneel of net expliciet modern te zijn. In de chat stelt het publiek de vraag of er onderzoek naar huidige dichtheden in traditionele Vlaamse dorpen is gebeurd? Moeten we naar grotere dichtheden van 120 wo/ha zoals in buitenlandse dorpen of steden? Kunnen we zo het dorpse DNA behouden? In elk geval moeten we evolueren naar kernversterking in plaats van louter kernverdichting.

Het onderzoek van Verbakel benoemt verder de condities, types en tactieken die eigen zijn aan dorpen. Vervolgens geeft hij aan hoe deze condities de voedingsbodem kunnen zijn voor nieuwe strategieën, bijvoorbeeld: een buurtweg of open ruimte als basis voor verdichting of het traditionele hoevetype als inspiratie voor nieuwe dorpse woontypes.

Ten slotte licht Verbakel toe hoe we deze kwaliteitszoektocht kunnen omzetten naar instrumenten. Een voorbeeld dat door zijn praktijk werd ontwikkeld, is de kwaliteitstoets van de lokale Intergemeentelijke Kwaliteitskamer van de Getestreek. Vier kleine, landelijke gemeentes wensten hun beleid te versterken voor het beoordelen van vergunningsaanvragen. Een ‘kwaliteitswiel’ maakt inzichtelijk wat het project op stedenbouwkundig vlak opbrengt aan meerwaarde voor het dorp, hoe het reageert op zijn directe omgeving, en wat de kwaliteit is van de architectuur. De toets bepaalt welke densiteit mag worden toegevoegd. Momenteel wordt het instrument getest en aangescherpt.

De inleiding van Verbakel kadert de rest van de dag: de studiedag gaat niet over waar verdichting wel of niet zou moeten plaatsvinden, maar over het niveau van de dorpsarchitectuur en hoe daar tot kwaliteit te komen.

2. Voorbeeldprojecten en -trajecten

In het tweede luik komen gerealiseerde, kwalitatieve projecten aan bod en gaan betrokken ontwerpers, opdrachtgevers en lokale besturen in op het achterliggende traject.

Ampe.Trybou architecten – Housing Zandvoordsestraat © Dennis de Smet

Sociale huisvesting in Oudenburg en Acke, Ampe Trybou architecten en SHM Woonwel

>> Video: gesprek Ampe Trybou en SHM Woonwel

Frederiek Ampe licht drie projecten van zijn bureau Ampe Trybou toe, die alle zijn gebouwd in opdracht van sociale huisvestingsmaatschappij WoonWel. Het project op het hoekperceel in de Zandvoordsestraat in Oudenburg moest aan het geldende BPA (bijzonder plan van aanleg) voldoen. In hun antwoord zetten de ontwerpers in op collectiviteit: er is een gemeenschappelijke tuin voor de bewoners, de gelijkvloerse hoek bleef open als overdekte publieke ontmoetingsruimte, en de ondergrondse parkeerkelder met openingen naar de tuin laat mogelijkheden voor een latere herbestemming. Het gebouwvolume past zich in het straatbeeld in door de aansluitende kroonlijst en weloverwogen geplaatste dakkapellen. De materialisatie van de gevel met beton zoekt aansluiting bij de dorpse context.

Op de Slachthuissite realiseerden de architecten een publiek park als nieuwe kern voor het bouwblok. Dat maakt een grotere verdichting mogelijk, met verschillende doorsteken en doorzichten. Omwille van de grote schaal, kozen de ontwerpers voor een meer klassieke baksteenarchitectuur die zich bescheiden opstelt, met dakvormen die zich plooien naar de bestaande context.

Het derde project van de Molensite te Acke, plaatst verschillende types grondgebonden en gestapelde woningen rond een bestaande molenaarswoning. Streekeigen materialen, dansende daken en doordachte inplanting met behoud van doorzichten. Het erfgoed zelf bekeken de architecten als opportuniteit: het gaf aanleiding om het Molenerf te restaureren, te herwerken en publiek toegankelijk te maken.

Opdrachtgever Evi Jordens (directeur SHM WoonWel) benoemt de selectieprocedure voor ontwerpers, waarbij ook stadsdiensten en een extern jurylid betrokken zijn, als basis voor de kwaliteit van de projecten. Het vergelijken van inzendingen geeft de maatschappij de kans om hun ambities scherp te stellen, wat tijd en ruimte vraagt die er bij private ontwikkelingen niet altijd is.

Brouwerijsite Meer © Emma Van Zundert / Zeger Dox

Appartementen in Meer en Westmalle, AID architecten, projectontwikkelaar en lokaal bestuur

>> Video: gesprek AID architecten, projectontwikkelaar en lokaal bestuur

Gerd Van Zundert bespreekt De Brouwerijsite in Meer, en een kleinschaliger project in Westmalle, Petrol.

De Brouwerijsite in Meer is een grootschalig project op een voormalig bedrijfsterrein van 3ha, dat generaties lang in handen was van de familie Sterkens. De helft van het terrein was bestempeld als kmo-zone in 2005. In het RUP werd een bestemmingswijziging opgenomen. Ann Embrechts (Stad Hoogstraten) vroeg vanaf de start naar een algemeen concept voor het nieuwbouwproject, waarna de opdrachtgever besloot een beperkte competitie te organiseren. Projectontwikkelaar Jef Sterkens: “AIDarchitecten overtuigde met het concept om de brouwerij als referentie in te zetten in het nieuwe ontwerp en door in te spelen op lokale behoeftes, trage wegen en een speelterrein.” Door het perceel in zijn geheel te ontwikkelen, kon er in het belang van de gemeenschap nagedacht worden en zijn ook enkele commerciële ruimtes zoals een kapper en fietsenwinkel voorzien. In Meer valt de genereuze inkomhal met doorlopende stoeptegels op.

Het project Petrol in Westmalle heeft ondanks het verschil in schaal, gelijkaardige uitgangspunten als het project in Meer. Beide projecten bevatten een zekere generositeit en graduele overgang van publiek naar privaat. Doordat de gevellijn zich terugtrekt van de rooilijn ontstaat bijvoorbeeld een verbreed voetpad, een pleintje en een zitbank, met aansluitend een uitnodigende, ruime inkomhal en gedeelde buitenruimte. Het streefdoel van AID architecten is steeds om een gebouw te realiseren dat een zekere vanzelfsprekendheid uitstraalt, een gebouw dat graag gezien wordt en iets toevoegt aan de omgeving. Voorafgaand maakten ze een mini-masterplan om de omgeving goed te begrijpen, wat aanleiding geeft tot het behoud of creëren van doorzichten naar het achterliggende landschap. In Meer vertaalt dit zich in een publieke buitenruimte met doorsteek voor voetgangers. Auto’s zijn zo weinig mogelijk of onzichtbaar aanwezig in het straatbeeld. Het vrijstaande volume in Meer pikt de grotere korrel van andere gebouwen in het dorp op, de gevels worden in eenzelfde baksteen uitgevoerd met een specifieke geleding en detaillering. Het project in Westmalle inspireert zich qua volumetrie losjes op de tegenovergelegen dierenartsenpraktijk.

Ann Embrechts omschrijft de rol als ambtenaar als aandrijver van kwaliteit niet evident. Een kader zoals een RUP geeft niet altijd garantie op kwaliteiten, soms werkt het die net tegen. Pas heel recent is in het door AR-TUR geleide traject dorpsverkenning in Wortel (Hoogstraten) meer nagedacht over het DNA van een van de dorpen in Hoogstraten. Bij de ontwikkeling van de Brouwerijsite was er nog geen vastgelegd kader. Bij gebrek aan tijd en middelen rekent de stad er op dat de ontwerper zijn rol ruimer bekijkt om aspecten zoals generositeit en context vorm te geven. Helaas loopt het daar vaak mis.

Schaerdeke door architectenbureau Bart Dehaene © Dieter Van Caneghem

Wijk Schaerdeke Lo-Reninge, Bart Dehaene architecten, kunstenaar en burgemeester

>> Video: gesprek Bart Dehaene architecten, kunstenaar en burgemeester

Lo-Reninge is een compact dorp met een kleine stedenbouwkundige korrel. Decennialang is alles georganiseerd gebleven binnen de historische kern, nu ontstaan er ook wijken op de grens van het dorp, waaronder wijk Schaerdeke, een terrein van 5ha opgedeeld in verschillende projecten waaronder sociale woningen ontworpen door Bart Dehaene. De architecten trekken de bestaande korrel door in de wijk. In totaal situeren zich acht bouwvolumes in geel metselwerk rond een collectief binnenhof, waar de private tuinen van elke woning op uitgeven. Een binnenstraatje met betonnen ‘karrenspoor’ verbindt de dorpskern met het achterliggende landschap. De toegangen tot de woningen grenzen rechtstreeks aan het voetpad. De woningen worden per twee gekoppeld onder één mansardedak, een profiel dat gebaseerd is op een frequent gebruikt type in de buurt.

Tussen twee hoekwoningen ontstaat telkens een inkomportaal, met in het midden een opvallende kolom ontworpen door kunstenaar Dirk Zoete. Hij bekijkt de kolommen als aanleiding voor sociale ontmoeting, plekken die toegeëigend kunnen worden door de bewoners. De kolom accentueert de inkom als publieke plek, waar ook de andere dorpsbewoners zich betrokken kunnen voelen.

Burgemeester Lode Morlion zet zich bewust in voor kwalitatieve ontwikkeling in Lo-Reninge. De hele stadskern van Lo-Reninge is beschermd als monument, een belangrijk steunpunt om blijvende kwaliteit voorop te stellen. “Op plekken waar verkavelingsvoorschriften de condities voor architectuur scheppen is ‘de eerste vraag die we dan krijgen: mag ik afwijken van de voorschriften?” Zelf gaat het lokale bestuur bij voorkeur aan de slag via gekende instrumenten zoals de kwaliteitskamer van WinVorm of een Open Oproep-procedure voor de selectie van ontwerpers. De gemeente heeft niet altijd de expertise en financiële middelen om zelf studies te initiëren en te coördineren. Daarvoor steunt het lokale bestuur op de provincie.

Conclusies uit het eerste deel:

De voorbeeldprojecten ontstaan vaak vanuit publieke opdrachten, zoals sociale huisvesting. Deze en eerder bestudeerde projecten, tonen hoe projecten het dorpse DNA kunnen vatten via een gradiënt aan woontypologieën voor meervoudig wonen tussen vrijstaande eengezinswoningen en ‘banale’ appartementen. De projecten zijn genereus, spreiden een vanzelfsprekendheid tentoon binnen de context door de toepassing van tactieken zoals het oppikken van de dorpse korrel, het gebruik van streekgebonden materialen, het behoud of het creëren van doorzichten naar de open ruimte, aandacht voor graduele overgangen van publiek naar privaat en voor collectieve voorzieningen. Bouwkundig erfgoed blijkt daarbij vaak een katalysator voor kwalitatieve projecten.

3. Kaders

Het derde luik van de lezing gaat in op de vaststelling dat kwalitatieve architectuurprojecten in dorpen tot op heden vaak ontstaan zonder een kwaliteitskader dat van bovenaf wordt opgelegd, maar net afhangen van individuen die hun rol overstijgen. In sommige gemeentes zoals Lo-Reninge, Westkerke of Malle lijken het toevalstreffers die nadien uitgroeien tot meerdere succesvolle projecten. De gesprekken hierna gaan in op het beleid op verschillende niveaus, en starten bij de vraag welke instrumenten het meest veelbelovend zijn om tot kwalitatieve woonprojecten in dorpen te leiden.

Instrumenten

>> Video: gesprek instrumenten

Het instrument dat je toepast is altijd afhankelijk van de vraag en de capaciteit van de gemeente, stelt Sally Lierman (Atelier Romain):“Instrumenten die in de eerste plaats inspireren, en het voortraject vormgeven zijn het meest veelbelovend naar uitvoering toe.” Het voortraject en de keuze voor het juiste instrument is dus zeer belangrijk, bijvoorbeeld in opdracht van Malle, stelden ze via de opmaak van een ‘bouwkompas’ scherp op de gewenste ontwikkeling en de woonwens van de bewoners. In het traject ‘DNA van het dorp’ in West-Vlaanderen stellen gemeente heel concrete vragen rond kleine kernen, waarvoor een masterplan misschien relevanter is. Bij de opmaak van een inrichtingsvisie door Atelier Romain voor Geel, biedt het project ‘kansenkavels’ een belangrijke stap naar realisatie. Kansenkavels is een onderzoek vanuit de Regionale Landschappen in de Provincie Antwerpen, dat onderzoekt welke percelen een hoge open-ruimtewaarde hebben, en hoe die kavels kunnen ingezet worden als opstap voor de realisatie van nieuwe kwalitatieve projecten. Het is verfrissend dat de open ruimte hier de randvoorwaarden voor de eventuele gebouwen bepaalt, en niet – zoals dat meestal het geval is – andersom.

Participatie speelt een belangrijke rol in elke fase en traject, maar zeker in het vroegste stadium. Eén van de uitgangspunten bij de opmaak van het bouwkompas in Malle door Atelier Romain, waren de resultaten van ‘geWOONtebreker’, een onderzoek vanuit de provincie Antwerpen dat in beeld bracht wat volgens bewoners de kwaliteiten zijn van hun dorp. Het onderzoek werd over verschillende gemeentes heen gevoerd, en koppelde vraagstukken aan elkaar. Zulke samenwerking creëert een groter draagvlak en kennis, zeker voor kleinere dorpen die vaak afhankelijk zijn van externe expertise.

Filip Buyse van MAAT ontwerpers voerde ontwerpend onderzoek naar kernversterking in opdracht van de Vlaamse Overheid en werkt – net als Plusoffice architects en Atelier Romain – aan masterplannen in het traject ‘DNA van het dorp’ in West-Vlaanderen. Vanuit MAAT gaan ze op zoek naar de betekenis van het dorp in een netwerk van andere dorpen, waarbinnen dorpen eigen specifieke kwaliteiten inzetten en via participatieve trajecten hun identiteit trachten te benoemen. De verzamelde narratieven helpen de kwaliteiten te benoemen. “Het onderzoek is maatwerk per dorp, niet elk dorp moet gaan verdichten, sommige dorpen moeten zich vooral herorganiseren.” Voor vele dorpen is de opgave dus niet kernverdichting, maar eerder kernversterking.

Els Claessens (ECTV architecten en voormalig voorzitter kwaliteitskamer Winvorm) benoemt de kwaliteitskamer als manier om architectuurkwaliteit vanaf een vroeg stadium voorop te stellen. Ook vanuit haar eigen praktijk ervaart ze dat goede trajecten vaak starten met wedstrijden, bijvoorbeeld de Open Oproep in Lier waar ze samen met Blauwdruk stedenbouw onderzoek voeren naar wat dorpse hoogbouw kan zijn. In het algemeen benadrukt ze het belang van sensibilisering van lokale besturen in een vroege fase.

De praktijk van de dorpsarchitectuur

>> Video: gesprek de praktijk van de dorpsarchitectuur

Luk Vorsselmans (LV-architecten) stelt de vraag hoewe gaan samenwonen in een dorp, niet alleen het project is belangrijk. Hij ziet een belangrijke opdracht voor besturen om te kijken naar wat goed zou zijn voor de buurt, los van de speculatie van grondwaarde.

Senne De Bleser (Omgeving) zoomt in op de rol van landschapsontwerp. Als we spreken over dorpskernversterking zijn de aanwezige straatprofielen niet altijd gemaakt voor de vooropgestelde verdichting of hogere volumes, waardoor we problematieken krijgen zoals luchtkwaliteit in street canyons. Verdichting van het centrum, vraagt ook om een ander programma voor de publieke ruimte. Net zoals architectuur zoekt ook de publieke ruimte naar de identiteit van het dorp, naar de geschiedenis van de plek. Het ontwerp van het landschap of de publieke ruimte kan bovendien aanleiding geven tot het koppelen van functies aan deze ruimtes. Het masterplan in Lille-Poederlee voorziet in parallelle, veilige routes waarlangs functies zoals een school voorzien kunnen worden.

Bart Boeckx (Vanhout.pro, Groep Van Roey) legt de oorzaak van het ontstaan van willekeur en ruimtelijke wanorde bij het feit dat je onbelast extra woonentiteiten kan toevoegen aan een project. De overheid moet volgens hem dan ook meer een rol durven spelen om het realiseren van bijkomende woonentiteiten te gaan belasten, maar ook om de globale visie vorm te geven. Bijvoorbeeld door de lokale besturen eerst een masterplan te laten maken, om na te denken over interessante plekken en mobiliteitsknooppunten die bepalen waar het nuttig is te gaan verdichten, en orde te creëren in het dorp met doorwaadbare ruimtes en fiets- en wandeldoorgangen.

Het gesprek besluit met de boodschap dat kwaliteitsplannen voldoende flexibiliteit moeten bevatten om mee te kunnen groeien met veranderende noden. Elk bestuur probeert een eigen visie of kwaliteitsplan op te maken, maar er is ook nood aan visies en richtlijnen op hogere schaal, in het bijzonder voor collectieve thema’s zoals mobiliteit.

Het lokale bestuur

>> Video: gesprek het lokale bestuur

Maarten Horemans stond mee in voor de opmaak van een integraal beeldkwaliteitskader voor de gemeente Nijlen. Het kader betreft hier de manier waarop ze de ruimtelijke ontwikkeling in hun gemeente trachten te regisseren. De gemeente voert deze regisseursrol vanuit vier modi uit: de projectmodus (aan tafel zitten met iemand die de intentie heeft om te verdichten), de visiemodus (een toolbox die aangeeft hoe de gemeente kan sturen op ruimtelijke kwaliteit), het beleidsniveau (projecten die ze zelf in handen nemen) en cultuurtransitie (de burger meenemen en betrekken in het verhaal van de toekomst). “Het hele plan is een verkennend onderzoek om te kijken waar we linken kunnen leggen en bepaalt specifieke plekken om te verdichten,” besluit Horemans.

“Gemeentes die zulke regisseursrol willen opnemen hebben nood aan een netwerk,” sluit burgemeester Ward Kennes aan, “om te bekijken wat er al gewerkt heeft in het verleden en om op de hoogte te blijven van alle nieuwe inzichten en ontwikkelingen.” Zelf gebruikte hij in Kasterlee dankbaar de expertise en ondersteuning van de Open Oproep, voor het masterplan voor de dorpskern. Hij erkent het voordeel van een stabiele meerderheid als partij in Kasterlee, waardoor hij meerdere jaren vooruit kon kijken en een visie vormen.

In Malle heeft het bestuur een bouwpauze afgekondigd, nieuwe vergunningstrajecten voor meergezinswoningen werden on hold gezet vanaf 24 oktober 2019 tot 1 maart 2021. Schepen Sanne Van Looy geeft als voornaamste reden de groeiende bezorgdheid over kwaliteit: “Er landden steeds meer ‘UFO’s’ en eenzijdige vormen van verdichting in het dorp, ontworpen door ‘buitendorpse’ architecten die niet vertrouwd waren met het DNA van het dorp.” Om de regie opnieuw in eigen handen te nemen, stelde Atelier Romain met hen een beeldkwaliteitsplan op, een kader van waaruit ze in gesprek nieuwe projecten op maat van het dorp kunnen sturen, met een duidelijke grens voor de groei.

Een bouwpauze is een juridisch wankele beslissing. Als advocaat en adviseur van lokale besturen en ontwerpers merkt Jo Van Lommel (GSJ advocaten) dat de nieuwe instrumenten zeer snel variëren, waardoor het gevaar voor juridische conflicten ontstaat. Het scheppen van een kader, BPA’s, structuurplannen enzoverder geeft houvast, maar als het niet past geeft het ook nadelen. Er heerst een zwaar spanningsveld tussen theorie en praktijk: je moet al een goede ambtenaar hebben die binnen de bestaande richtlijnen ook de projecten kan regisseren. Het onderscheid tussen ‘harde regels’ en ‘zachte regels’ is noodzakelijk. Ondanks de beleidsteksten blijft het beoordelen van een vergunningsaanvraag altijd een beoordeling.

Het bovenlokale beleid

>> Video: gesprek het bovenlokale beleid

Kathleen Helsen, gedeputeerde van Provincie Antwerpen, verduidelijkt hoe de provincie overkoepelend onderzoek uitvoert voor hun gemeentes: binnen het plattelandsbeleid, rond onder meer dorpen en kerken, ontstaan begeleidingstrajecten zoals ‘veerkrachtige dorpen’ en analyseprojecten van bepaalde gebieden zoals ‘Neteland’. Ze bieden daarbij informatie aan de lokale besturen aan om zelf aan de slag te gaan, maar ook een platform om tussen verschillende gemeentes heen informatie te delen als ze voor gemeenschappelijke uitdagingen staan. Behalve de ondersteuning bij visievorming en participatie, ziet Helsen vooral objectieve onderbouwing en argumentatie voor het invoeren van nieuwe instrumenten als deel van hun opdracht. Samen met de Universiteit Antwerpen voeren ze bijvoorbeeld onderzoek uit naar wat de impact is van ruimte op de mentale en fysieke gezondheid van de mens.

Provincie West-Vlaanderen voert een sterk ruimtelijk dorpenbeleid, hier toegelicht door Karl Catteeuw. Zo is WinVorm een initiatief dat over gemeentes en regio’s heen lezingen en publieke opdrachten organiseert. De provincie biedt ook ‘dorpsexpertise’ aan, een initiatief waardoor gemeentebesturen twee dagen lang een expert kunnen inhuren. Verder subsidieert de provincie de opmaak van projectdefinities en recent de opmaak van ‘masterplannen DNA van het dorp’, met DNA als term die generatie na generatie kan veranderen en niet alleen het uitzicht, maar ook het functioneren van een dorp meeneemt. Catteeuw benadrukt de verwevenheid van alle aanwezige functies en het multifunctioneel karakter van de publieke ruimtes, wat een horizontale aanpak vraagt.

Woonplekken en fietsroutes zijn bij de belangrijkste functies die sommige dorpen volgens Catteeuw nog hebben, met in de Westhoek toerisme als belangrijke factor. Hij sluit af met een vraag vanuit de chat, wat maakt dorpen dorps? Duidelijke definities en visies over een dorp en het platteland zijn er nog niet.

Vlaams Bouwmeester

>> Video: gesprek Vlaams Bouwmeester

In het werk rond dorpsstedelijkheid met studenten aan de Universiteit Antwerpen stelde Vlaams Bouwmeester Erik Wieërs diezelfde vraag. Een eenvoudig vertrekpunt is dat het dorp bestaat uit één centrum, met alle voorzieningen binnen een straal van 500 meter tot 1 kilometer. Op het moment dat er verderop een tweede centrum ontstaat, met een eigen dynamiek, start een stedelijke evolutie.

In de vraag naar instrumenten schuilt volgens Wieërs de illusie dat we altijd alles met een instrument kunnen oplossen. “Het grote probleem is dat gevoeligheden, schoonheid en betekenis van een gebouw vaak moeilijk te vatten zijn in meetbare regels. We moeten daarom een omslag maken om van regelgeving naar regie te gaan met kwaliteitskamers en projectregisseurs.” De aandacht van Team Vlaams Bouwmeester verschuift steeds meer naar het ondersteunen van lokale besturen in die regisserende rol.

Een eerste stap die het Team Vlaams Bouwmeester neemt, omvat onderzoek naar het narratief van het dorp, wat meer kan zijn dan enkel ruimtelijke en beeldbepalende elementen: de manier waarop men in een dorp elkaar begroet, de trage wegen, op de stoep zitten … In een poging om het begrip in al zijn aspecten te vatten loopt er momenteel een traject waarbij een kunstenaar, reportagemaker en fotograaf de ‘dorpelijkheid’ vanuit hun domein vastleggen. Ook in latere fases acht Wieërs het relevant om de knowhow van ontwerpers te verruimen met andere terreinen, zoals antropologie en sociologie. Op dat moment gaat het om de maatschappelijke waarde, functionele kwaliteiten die de ruimtelijke kwaliteiten overstijgen.

Een nieuwe bouwshift of mentaliteitsshift ziet Wieërs vooral gebeuren vanuit slim ontwerpend onderzoek dat erin slaagt de positieve en dorpse connotaties van de traditionele grondgebonden woning te importeren in densere woontypologieën, zonder daarbij noodzakelijk over te gaan tot hoogbouw. Algemeen moeten we bij het vormen van een ruimtelijke visie vertrekken vanuit de open ruimtelandschappen. In plaats van bestemmingsplannen voor de bebouwde structuren, die enkel het praktische en functionele meenemen, moeten we daarbij kijken naar welke landschappelijke structuren we willen bewaren.

4. Conclusies

>> Video: conclusies

Ward Verbakel geeft aan welke aanbevelingen hij meeneemt in de studie naar een Toolbox Dorpsarchitectuur. Het startpunt was de vraag hoe we het over dorpsarchitectuur kunnen hebben, op zoek naar taal en woorden. De grootste spraakverwarring bestaat er misschien wel over het beeldkwaliteitsplan, een leenwoord uit Nederland sinds 2005. In Vlaanderen is het anders ingezet, de onderliggende intentie is in elke hoedanigheid ervan om een gidsbeeld op te stellen, een leidraad waar we naartoe willen zonder het daarbij enkel over het beeld als decor te hebben. Het gaat over iets vertrouwd, herkenbaar, over een model waar we als groep naartoe willen en hoe we dit doen.

In de tweede plaats zag hij in de besproken projecten een kwaliteit in het vanzelfsprekende: iets dat past in een dorp. “In een dorp hoeft, misschien anders dan in de stad, niet alles bijzonder te zijn. Het leren kennen van de orde en daarin verder bouwen is veel relevanter.” Het landschap speelt altijd een rol, en zal zich ook in bebouwde zones altijd manifesteren (overstroming, fijn stof, geluid…). Wat we niet bouwen is daarom minstens even belangrijk.

Algemeen zijn we op zoek naar projecten die ons helpen om voortschrijdend inzicht te geven, over welke waarde we op lange termijn willen toevoegen, en hoe we het ‘slechtste’ kunnen verhinderen. We moeten een switch maken en kwaliteit uitlokken met gewenste beleidsmatige ontwikkelingen voor ogen in plaats van vastgepinde regelgeving. Dit leidt naar de rollen die we willen en kunnen spelen, met een streven naar regisseurs en uitwisseling van ideeën en middelen over de verschillende domeinen heen. Er zijn ook systeemfouten die je niet kan oplossen door alleen maar met kleine dingen bezig te zijn, daarom moeten we drastische keuzes durven maken.

Veel van wat we leren is ruim inzetbaar, zeker als je ook de stad gaat lezen als een schakeling van dorpen. “Wat we hier doen is dus zeker ook interessant voor de toekomst,” besluit Verbakel.

Partners

AR-TUR wordt voor dit traject ondersteund door de Vlaamse Overheid, gemeente Malle, gemeente Olen, cofinanciering uit Platteland Plus, bestaande uit middelen van Vlaanderen en Provincie Antwerpen, en de partners van AR-TUR.