Naar een werkend wijkcollectief

Werksessie 3 - Wijkmotor Egelsvennen

VERSLAG - Woensdag 14 september verzamelden we voorlopig een laatste keer in deze fase van het Kempenlab in het ondertussen vertrouwde zaaltje in de buurt van Egelsvennen in Mol. Naast de bekende gezichten waren deze keer ook de nieuw aangestelde ontwerpteams voor het masterplan van de wijk (het team van Studio Thomas Willemse, Endeavour, Kalk architecten, Orientes, Atelier Horizon en Domus Mundi) en de renovatie van de sociale woningen (De Architectengroep) aanwezig. Deze eerste kennismaking was bedoeld om meer inzicht te krijgen in hoe de ontwerpteams het procesverloop zien en dit te verrijken met inzichten van de stuurgroep. Dit om uiteindelijk samen tot een overzicht van de taken te komen die de ontwerpers en stakeholders in het wijkcollectief kunnen opnemen en afspraken te maken rond settings ter ondersteuning van het proces.

Tekst: Lucas Desmet
Foto's: Kelly Donckers
Leestijd: 12 minuten

Even terugblikken op het doorlopen proces. In 2018 en 2019 ging AR-TUR in het Kempenlab Wijkrenovatie aan de slag rond het vraagstuk van het kwalitatief verduurzamen van modernistische woonwijken. Het werkmodel van de Wijkmotor werd toen gepresenteerd als een voorlopig resultaat. De wijkmotor is een werkmodel waarmee wijkkapitaal in de vorm van mensen en middelen kan worden omgezet in meerwaarde voor de wijk, de zogenaamde wijkwinst. In 2021 werd beslist om de Wijkmotor in Egelsvennen te beproeven in de praktijk.

De eerste sessie van dit traject focuste rond de vraag en het aanbod voor ondersteuning van vooral de private eigenaars bij het verduurzamen van de woningen en rond het benuttten van de koppelkansen met de renovatie van de huurwoningen. Er werd gebrainstormd rond twee hefboomthema’s: het ontzorgen van private eigenaars met presentaties van Campina Energie en de Bouwhulpgroep, en het samenleven en financiering van wijkprojecten met presentaties van Cera en Co-Inpetto. Ook werden eerste koppelkansen en partnerschappen tussen de aanwezigen onderzocht.

De tweede werksessie dook dieper in de opportuniteiten voor collectief werken in de wijk. Er werd een inventaris van opportuniteiten uitgewerkt en geclusterd rond 5 thema’s (diensten, ontzorgen, wij(k)gevoel, energie en groen). Via netwerkradars werden de stakeholders voor elk thema in kaart gebracht.

Het doel van de derde werksessie was het concreter vormgeven van het wijkcollectief en het formuleren van engagementen als doorstart van de wijkmotor in Egelsvennen nu AR-TUR de fakkel overdraagt. Het engagement van mensen die al een gehele tijd betrokken waren, voortgedreven door concrete realisaties, geeft vertrouwen aan een goed verder verloop van het traject. Succesvolle stappen in het traject zijn alvast de aanstelling van de ontwerpteams, een gepland artikel in Woonwoord dat kennis deelt over de holistische aanpak van de renovatie van modernistische erfgoedwijken in het bijzonder en sociale woonwijken in het algemeen, evenals de officiële inhuldiging van de gerenoveerde modelwoning in Egelsvennen op 27 september. Bovendien doet de mix tussen het sociale aspect en het technische - het realiseren van de modelwoning bijvoorbeeld - geloven in een goede uitkomst.

Kennismaking met ontwerpteams en procesverloop

Studio Thomas Willemse samen met Endeavour werden aangesteld voor het masterplan van de wijk. Studio Thomas Willemse werkt aan de globale visie van de wijk, gevoed door zowel architectuur, stedenbouw en landschap. Endeavour voorziet de sociaal-ruimtelijke procesbegeleiding. Het team wordt verder ondersteund door experten: Kalk architecten voor erfgoedzaken, Atelier Horizon voor specifieke landschapsexpertise, Oriëntes voor financiële doorrekening van scenario’s en Domus Mundi voor advies omtrent renovatiemodellen.

De jury koos voor het ontwerpteam omwille van een duidelijke analyse die in concrete stappen kan worden vertaald. Het team deelt een grote rol toe aan de Molse Bouwmaatschappij en werkte enkele financiële strategieën uit, zoals een ruilmodel voor woningen. In plaats van de vele uitdagingen meteen vast te leggen in een plan wil dit team samen met bewoners op zoek gaan naar de oorzaken van de problemen en dit vertalen in een heldere visie en verhaal.

De ruimtelijke lezing gaat uit van de balans van het wonen in het bos, de rafelranden van de wijk en de zachte mobiliteit er doorheen. Een lezing van de publieke ruimte resulteert in een inventaris van toevoegingen van eigenaars aan hun woningen doorheen de tijd zoals tuinhuizen, afschermingen en sportelementen die druk op de beeldkwaliteit zetten. Deze elementen worden in de visie omgezet tot een catalogus voor de publieke ruimte in de wijk met bijvoorbeeld plek voor collectieve moestuinen of sportpleintjes. Het overmaatse wegennet wordt grotendeels omgezet naar een zacht padennetwerk en de centrale heuvels worden verder bebost. Op de randen waar nu garageboxen staan, voorziet het team mogelijkheden tot verdichting.

Het voorgestelde proces bestaat uit drie delen. In een eerste fase worden ‘individuele woonpaden’ onderzocht: wat is het woonprofiel van bewoners in de wijk, wat is hun woontoekomst en welke oplossingen passen hierbij? Het bepalen van mogelijkheden voor de wijk en motivaties van bewoners zijn twee belangrijke hefbomen om te werken in de wijk. Ook de rol van de Molse Bouwmaatschappij zet het team in deze fase verder uit samen met het onderzoek van strategische ruilverhuisbewegingen om te komen tot meer uniforme ensembles. Interessant is dat in deze fase een intensieve ontwerpweek samen met de ontwerpers (en de toekomstige architecten) georganiseerd wordt. Dit doet het team om duidelijk aanwezig te zijn in de wijk en om informele gesprekken te kunnen voeren. Het team zet een maquette in als didactisch materiaal om de gesprekken tussen en met bewoners te ondersteunen. Vragen (naar het gebruik van het huis) die nog niet beantwoord zijn na deze week worden bevraagd in een enquête voor de bewoners. Eindproducten houden onder andere een inventarisatie van de noden van de bewoners in, type woonpaden en een eerste structuurschets.

Het tweede deel ‘een collectieve toekomst’ is een co-creatieve fase waarin het team samen met de bewoners nadenkt over hoe de wijk er zal uitzien. Deze fase maakt de overgang van workshops naar concretere werkgroepen. Hier kunnen de experten van het team ook ingezet worden naargelang de focus van de werkgroepen, bijvoorbeeld Atelier Horizon wanneer een werkgroep samen wil tuinieren. Het uiteindelijke doel is dat deze werkgroepen zelfsturend worden en over kunnen gaan tot concrete experimenten.

In fase 3 ‘inzetten van de transformatie’ voorziet het team de opstart van kleine interventies in de wijk, nog ondersteund door de experten van het team. Dit kan bijvoorbeeld met tijdelijke ingrepen. Om af te ronden wordt een slotmoment met posters en een maquette georganiseerd, waar een wervend verslag van het traject en het uiteindelijke masterplan worden voorgesteld. De hele tijd voedt dit traject het ontwerpend onderzoek en vice versa.

Aansluitend hierbij vroeg AR-TUR aan de aanwezigen om de elementen uit het proces te benoemen die ze graag willen verfijnen of verrijken vanuit de ervaringen die hun organisatie heeft, en voor welke elementen van het proces er koppelkansen zijn met lopende projecten.

Vanuit de aanwezigen klonk bezorgdheid over wie het totaal gaat regisseren als het ontwerpteam de wijk verlaat. Deze rol zal niet vanuit de Molse Bouwmaatschappij komen, gezien het groot aandeel private eigenaars in de wijk. Er werd geopperd om het bepalen van de rol en het aanstellen van een wijkregisseur in de opbouw van het participatieve traject in te bouwen, zodat de overdracht erna verzekerd is. Het uiteindelijke doel van het ontwerpteam is dat de werkgroepen zelfsturend worden vanuit het engagement van de bewoners, maar ook andere organisaties zoals het OCMW, de gemeente Mol en de Molse Bouwmaatschappij kunnen elk een deel opnemen.

Ook het idee van de ruilverhuisbewegingen zodat de wijk in de toekomst beter beheerd kan worden, stootte op wat bezorgdheid. Net de mix tussen private eigenaars en sociale huurders zorgt voor een levendige wijk en sluit sociale segregatie uit. Anderzijds is de wijk ook niet zo groot dat er puntsgewijs geen ruil kan optreden om hier en daar tot een beter beheerbaar ensemble te komen voor de wijk.

Daarna was het de beurt aan De Architectengroep om zich voor te stellen. De Architectengroep (DAG) werd gekozen voor de renovatie van de 93 sociale huurwoningen in handen van de Molse Bouwmaatschappij. Aangezien het masterplan nog kan wijzigen en bijgevolg de projectdefinitie voor de architecten ook lijkt de aanstelling van de architecten redelijk vroeg. Dit maakt anderzijds nu al een kruisbestuiving tussen de twee mogelijk . Zo kunnen de architecten ook aan de ontwerpweek in de wijk deelnemen. De architecten hebben bovendien nog genoeg voorbereidend werk om de gerenoveerde modelwoning van P.ed architecten, net als de andere woontypes, te onderzoeken. De grote procesbereidheid van de architecten, hun steun voor het masterplan en hun ervaring in erfgoedprojecten gaf de doorslag voor de keuze voor dit team.

Vormgeven van het wijkcollectief (the working coalition)

De uitdaging van deze sessie was hoe we een doorstart maken in het traject nu er nieuwe spelers bijkomen. Hoe kunnen alle betrokkenen de komende maanden constructief blijven samenwerken? Wie levert welke bijdrage aan het gedeelde eigenaarschap van het wijkcollectief? Dit probeerden we uit te zoeken door te kijken naar welke taken opgenomen kunnen worden en deze te clusteren in bepaalde settings. Deze oefening kan later nog herhaald worden samen met de bewoners zodat het eigenaarschap gedeeld wordt tussen bewoners en stakeholders.

Welke taken delen we toe aan het wijkcollectief?

In duo dachten de stakeholders hierover na. Deze taken werden geclusterd in zeven groepen.

  1. Bewoners leren kennen: wijksamenstelling bepalen, renovatiewensen onderzoeken, ‘woonpaden’ uitwerken…
  2. Bewoners betrekken: activeren, informeren, op de hoogte houden, informatie delen, drempels verlagen…
  3. Bewoners engageren: onderwijzen, energiecoaches opleiden, ‘sterkhouders’ zoeken, begeleiding geven…
  4. Wijkwinsten uitwerken: realiseren quick-wins en andere experimenten, voorstellen financiering maken, digitale omgeving uitbouwen, concretiseren…
  5. Oplossingen zoeken: neuzen in zelfde richting laten wijzen, sturen…
  6. Overzicht houden: wijkregie, bijkomende financiering zoeken, bewaken visie wijkmotor, bewaken visie masterplan, koppelkansen maken, totaalplanning beheren …
  7. Evalueren: afstand nemen, opschalen, lessen trekken uit het proces, reflectie, terugkoppeling verruimen richting andere wijken in Vlaanderen, kennis delen, …
Welke overlegvormen zijn hiervoor nodig en welke metafoor zou hier bij passen?

Hiervoor zien we voorlopig vijf settings die nog kunnen veranderen. Alles wat met bewoners te maken heeft (cluster één tot drie), kunnen we onderbrengen in een setting die iets huiselijks, open, met betrekking tot de buurt oproept: ‘het buurthuis’ bijvoorbeeld. Een tweede setting past bij al de taken die te maken hebben met het overzicht houden: ‘de cockpit’ (cluster zes en zeven). Een derde setting is meer een setting die met de voeten op de grond staat, en zaken coördineert: ‘de regiekamer’ (cluster vier). De deelnemers merkten terecht op dat de technische kant nog ontbreekt. Daarom werd de setting van ‘het atelier’ in het leven geroepen. ‘De ambassade’ is de groep mensen die de dingen gaat realiseren op het terrein.

  1. Het buurthuis: de huiskamer, het wij(k)gevoel, het buurthuis of wijkcafé, levendige straten, de picknicktafel, de bazaar
  2. De cockpit: de helikopter, de drone
  3. De regiekamer: de wijkregisseur
  4. De ambassade: de ambassadeurs, de werkgroep
  5. Het atelier: de technische ruimte, de controlekamer
Wie moet bij deze settings aanwezig zijn?

Voor de eerste setting, ‘het buurthuis’, zijn het vooral de bewoners, de ontwerpteams, de Molse Bouwmaatschappij en de gemeente die hierin betrokken moeten zijn. In het begin kan de Molse Bouwmaatschappij deze setting ondersteunen. Deze rol kan geleidelijk overgenomen worden door de bewoners.

Wie moet er in de ‘cockpit’ zitten om mee het overzicht te bewaren? Dat zijn vermoedelijk de gemeente Mol, de Molse Bouwmaatschappij, de VMSW en bij voorkeur ook AR-TUR. Om de link met het erfgoed niet kwijt te geraken, is het belangrijk om ook het Agentschap Onroerend Erfgoed te betrekken.

Tot de ‘regiekamer’ behoren aanvankelijk de ontwerpteams, waarbij de rol van regisseur dan overgedragen wordt naar een deskundig wijkregisseur of een wijkregieteam, dat vanuit een professionele kennis koppelkansen kan benutten en het beheer kan waarborgen van de wijk.

In de ‘ambassade’ zullen de ‘ambassadeurs’ of de toekomstige trekkers van de werkgroepen zitten. Dit zijn de relevante actoren per themawerkgroep, zoals bijvoorbeeld Domus Mundi, Orientes, Campina Energie of nog andere te bepalen organisaties, samen met een vertegenwoordiging van de bewoners.

Tot ‘het atelier’ behoort de technische dienst van de Molse Bouwmaatschappij, samen met de gemeentelijke diensten van Mol en organisaties zoals bijvoorbeeld Campina Energie die de doelstellingen moeten helpen realiseren. Ook de bewoners (de ambassadeurs) en de diverse ontwerpteams spelen hierin een rol. Voor het zoeken naar financiering is dit ook een belangrijke plek. Hier kunnen ‘fondsenwervers’ zoeken naar alternatieve financiering, bijvoorbeeld door te zoeken naar koppelkansen met andere lopende projecten.

Hoe verhouden die settings zich tot elkaar? Wat zijn de ritmes en cadansen van elk team en wanneer komen die samen?

Nu AR-TUR de stok van de wijkregie doorgeeft en er veel stakeholders bij de wijk betrokken zijn, is het belangrijk om snel te weten hoe de volgende periode wordt georganiseerd. Het masterplanteam zal deze settings en de deelnemers nog moeten inpassen in het plan van aanpak . Eind december zou de ‘cockpit’ al een eerste keer moeten kunnen samenkomen.

AR-TUR verdwijnt dan wel uit beeld. Uit het oog is echter niet uit het hart. We blijven betrokken als copiloot in de cockpit, maar we vertrouwen erop dat de aangereikte werkwijze de betrokken partners voldoende wapent om zelf verder te werken op het huidige elan. Tijdens het Dorpsmakersfestival dat we in 2023 organiseren willen we alvast met de betrokken stakeholders terugblikken op de impact die dit en andere Kempenlabs al dan niet hebben bereikt.

Het door de deelnemers tot op heden getoonde engagement geeft vertrouwen in een goed vervolg met nog interessante vooruitzichten. Een reden om het glas te heffen op het einde van deze fase in het Wijkmotortraject en op het begin van nieuwe kansen voor de wijk!